Rekenen I > Rekenvolgorde
1234567Rekenvolgorde

Antwoorden van de opgaven

Opgave V1
a

Ieder moet 1,65 + 3,25 = 4,90 euro betalen, dus samen € 19,60. Dat komt er op de rekenmachine niet uit. Kennelijk wordt alleen de € 3,25 met 4 vermenigvuldigd.

b

.

c

.

Opgave 1
a

Vermenigvuldigen en delen gaan voor optellen.
Maar in de tweede uitdrukking staat een lange breukstreep en daarmee wordt eigenlijk bedoeld dat er staat. Dan zijn er haakjes en gaat het rekenen binnen de haakjes voor.

b

De lange streep aan het wortelteken staat eigenlijk voor haakjes: .
Dus moet de aftrekking (die staat binnen haakjes) na het uitrekenen van de kwadraten (machten) eerst.

c

.

Opgave 2
a

b

c

d

e

f

Opgave 3
a

De achterste twee.

b

c

Opgave 4
a

102 + 98 + 129 = 200 + 129 = 329

b

Bij een aftrekking mag je de getallen niet omwisselen.

c

d

Bij een deling mag je de getallen niet omwisselen.

Opgave 5
a

b

c

d

e

f

Opgave 6
a

b

c

(De haakjes zijn niet nodig vanwege de lange streep aan het wortelteken.)

d

e

f

Opgave 7

euro.

Opgave 8
a

b

c

d

Opgave 9

euro.

Opgave 10

Eigenlijk geen van beiden .

Maar met haakjes kunnen beiden gelijk hebben: en .

Opgave 11

euro.

Opgave 12
a

b

c

Opgave 13
a

b

Opgave A1
a

Bijvoorbeeld:

b

Bijvoorbeeld: 4 + 6 + 6 + 8 = 24

c

Bijvoorbeeld:

d

Bijvoorbeeld:

Opgave A2

en
en
etc. Wie vindt de meeste getallen?

Opgave T1
a

.

b

Opgave T2
a

Er ontbreken haakjes: .

b

euro.

Opgave T3
a

b

verder | terug