Rekenen II > Rekenen met breuken
123456Rekenen met breuken

Toepassen

Ton en Hans bestellen samen een grote pizza. Ton neemt de helft van de pizza, Hans neemt deel.

Samen eten ze dan deel van de pizza op.
Ton eet deel van de pizza minder dan Hans.
Als Ton van zijn stuk maar opeet, eet hij deel van de pizza.

Dit is een voorbeeld van het toepassen van rekenen met breuken.

Opgave A1

Schilder A kan een huis in uur geheel schilderen, schilder B kan dit in uur.

a

Welk deel van het huis kunnen beide schilders samen in een uur schilderen?

b

Waarom moet het steeds over hetzelfde huis gaan en kun je niet het schilderwerk van twee verschillende huizen vergelijken?

c

Hoeveel tijd hebben beide schilders samen nodig om het huis te schilderen?

d

Schilder C schildert het huis in uur. Welk deel van het huis schilderen A en C in uur? Hoeveel tijd hebben ze nodig voor het hele huis?

e

Beantwoord de vragen uit d ook voor alle drie de schilders samen.

Opgave A2

Stel dat op de werkende Nederlanders werkt bij een bouwbedrijf. En ook dat daarvan deel op kantoor werkt.

a

Welk deel van alle werkende Nederlanders werkt dan bij een bouwbedrijf op kantoor?

In een stad bestaat deel van de beroepsbevolking uit mannen van 20 jaar of ouder. Van die mannen is ongeveer op de werkeloos.
b

Welk deel van de beroepsbevolking bestaat uit werkeloze mannen van 20 jaar of ouder?

c

Deze stad heeft op het moment een beroepsbevolking van mensen. Hoeveel werkeloze mannen van 20 jaar of ouder zijn er?

Opgave A3

Zo’n miljoen Nederlanders doen aan sport. Bij al die activiteit komen nogal wat blessures voor: elk jaar moet op de sporters medisch worden behandeld. deel van alle sportblessures zijn knieblessures.

a

Het hoeveelste deel van alle miljoen Nederlanders doet aan sport?

b

Het hoeveelste deel van alle Nederlanders moet voor een sportblessure worden behandeld?

c

Hoeveel sportende Nederlanders krijgen in de loop van het jaar een knieblessure? Schrijf je berekening op.

Opgave A4

In Nederland gebruikten we tot 1 januari 2002 de gulden. Verder waren er kwartjes (kwart guldens), dubbeltjes ( gulden), stuivers ( gulden) en centen ( gulden). Ook was er de rijksdaalder ( gulden).

a

Hoeveel stuivers gingen er in een rijksdaalder?

c

Hoeveel stuivers gingen er in een kwartje?

In de Wikipedia vind je een artikel over de geschiedenis van de Tibetaanse munten. In het begin van de twintigste eeuw toen Tibet een zelfstandig land was, had het een eigen muntstelsel: srang = tangkas, tangka = sho = skar.

d

Hoeveel sho gingen er in srang?

e

Welk deel van srang is skar?

verder | terug