Algebra I > Variabelen optellen/aftrekken
1234567Variabelen optellen/aftrekken

Voorbeeld 2

Iemand verkoopt telefoonhoesjes en oordopjes op de markt. Een telefoonhoesje verkoopt ze voor € 7,50 en een oordopje voor € 5,00 per stuk.

Ze heeft hierbij de volgende formule bedacht:

Waarbij staat voor de opbrengst in euro's, voor het aantal verkochte telefoonhoesjes en voor het aantal verkochte oordopjes.

Als ze telefoonhoesjesjes en oordopjes verkoopt, heeft ze een opbrengst van € 237,50.

Opgave 6

Bekijk het voorbeeld.

a

Kun je de formule die de verkoopster heeft bedacht, herleiden?

b

Laat met een berekening zien hoe je aan de opbrengst van € 237,50 komt.

c

Hoe groot is de opbrengst als ze twaalf telefoonhoesjes en achttien oordopjes verkoopt?

Een andere marktkoopman verkoopt ook telefoonhoesjes en oordopjes. Hij verkoopt een telefoonhoesje voor € 10,00 en een oordop voor € 3,50.

d

Welke formule voor de opbrengst hoort hierbij?

e

Als beide marktkooplui allebei tien telefoonhoesjes en twintig oordopjes verkopen, wie heeft dan de grootste opbrengst?

Opgave 7

Bij een telefoonabonnement hoort de formule , waarbij de kosten in euro's zijn per maand en het aantal belminuten per maand.

Door een actie van de telefoonmaatschappij krijg je per belminuut € 0,02 korting. Daarnaast krijg je nog eens € 5,00 korting per maand.

a

Stel een formule op voor de nieuwe belkosten.

b

Stel dat je minuten gebeld hebt in een maand. Hoeveel euro spaart je uit met het nieuwe tarief?

c

Stel dat je niet € 5,00 korting krijgt, maar € 7,00 en dat je niet € 0,02 per belminuut korting krijgt, maar € 0,01. Hoe ziet de formule er dan uit?

d

Stel dat je minuten in een maand belt en dat je mag kiezen tussen de eerste korting en de tweede korting. Welke korting neem je dan?

verder | terug