Algebra I > Variabelen vermenigvuldigen
1234567Variabelen vermenigvuldigen

Uitleg

In de figuur zie je drie rijen met rechthoeken met breedte en lengte (of hoogte) . Elke rechthoek heeft dus een oppervlakte van .

Je kunt dit ook schrijven als , dus .
Je vermenigvuldigt beide variabelen; de volgorde maakt daarbij niet uit.

Voor de oppervlakte van de gehele figuur geldt:

  • gewoon lengte maal breedte: ;
  • losse rechthoeken samennemen: .

Dus .


Als je vierkanten met een oppervlakte van stapelt, zoals in de rechthoek in de tweede figuur, dan zie je .


Je kunt van ingewikkelder figuren de oppervlakte bepalen door de oppervlakte van (halve) rechthoeken op te tellen.
Heb je bijvoorbeeld een figuur die bestaat uit twee vierkanten met een oppervlakte van en drie rechthoeken met een oppervlakte van , dan wordt de totale oppervlakte: .
Ook nu kun je gelijksoortige termen optellen.

Opgave 1

Je hebt een rechthoek met een lengte van en een breedte van .

a

Op welke twee manieren kun je de oppervlakte hiervan beschrijven?

Je hebt een rechthoek met een lengte van en een breedte van .

b

Op welke twee manieren kun je de oppervlakte hiervan beschrijven?

Opgave 2

Stel een zo kort mogelijke formule op voor de omtrek en de oppervlakte van de figuur.

Opgave 3

Herleid.

a

b

c

d

Opgave 4

Herleid.

a

b

verder | terug