Vlakke meetkunde > Vergrotingsfactoren
123456Vergrotingsfactoren

Verwerken

Opgave 8

Je ziet hier Δ A B C met enkele afmetingen. De lijnstukken D E en B C zijn evenwijdig.

a

Waarom zijn de driehoeken A D E en A B C gelijkvormig? Bepaal ook de lengtevergrotingsfactor van Δ A B C naar Δ A D E .

b

Welke twee gelijkvormige driehoeken zitten er nog meer in deze figuur? Hoe verhouden zich de oppervlaktes van deze twee driehoeken?

Opgave 9

Marian heeft van een vakantiefoto van 7 cm hoog en 10 cm breed een vergroting laten maken. De vergroting is 24 cm breed.

a

Hoe hoog wordt de vergroting? Geef je antwoord in mm nauwkeurig.

Op deze foto staat een vuurtoren. Op de vergroting is deze toren 15 cm hoog.

b

Hoe groot is deze toren op de originele vakantiefoto?

Op de originele foto staat een reclamebord met een oppervlakte van 6 cm2.

c

Welke oppervlakte heeft dit reclamebord op de vergroting? Geef je antwoord in mm2 nauwkeurig.

Opgave 10

Bekijk de twee vierhoeken A B C D en E F C G .

a

Waarom zijn deze vierhoeken gelijkvormig?

b

Hoe groot is de oppervlaktevergrotingsfactor van de grote vierhoek naar de kleinere?

Opgave 11

In Madurodam is een deel van Nederland op schaal 1 : 25 nagebouwd.

a

De Dom in Utrecht is in Madurodam 448 cm hoog. Hoe groot is de toren in werkelijkheid?

b

De oppervlakte van Paleistuin Het Loo is 1,1 ha. Hoe groot zou dit dan in Madurodam zijn? ( 1 ha = 1 hm2)

Opgave 12

De ruit A B C D heeft zijden van 6 cm en twee hoeken van 60 °.
De ruit P Q R D is gelijkvormig met A B C D en de oppervlakte van ruit P Q R D is 3 4 van de oppervlakte van ruit A B C D .

Bereken de lengte van B Q.

verder | terug