Vergelijkingen > Balansmethode
123456Balansmethode

Antwoorden van de opgaven

Opgave V1
a

Een balans is een apparaat om een gewicht te meten door twee schalen in evenwicht te brengen. Je legt het gewicht op de linker schaal en maakt evenwicht door op de rechter schaal voldoende standaardgewichten te plaatsen. Door te kijken hoeveel standaardgewichten er nodig zijn bepaal je het gewicht van dat voorwerp.
Een weegschaal hoeft niet over twee schaaltjes te beschikken, maar kan ook werken met een veer die wordt ingedrukt.

b

Als je bij een vergelijking aan de linkerzijde en de rechterzijde van het isgelijkteken hetzelfde optelt, aftrekt dan blijft het evenwicht bewaard. Hetzelfde geldt voor links en rechts met hetzelfde (uitgezonderd het getal 0) vermenigvuldigen of door hetzelfde delen.

Opgave V2

Links ligt 2 g + 21 gram.
Rechts ligt 6 g + 5 gram.
Er geldt dus 2 g + 21 = 6 g + 5.
Dit los je op door aan beide zijden 2 blikjes weg te halen. Je krijgt 21 = 4 g + 5. Dan haal je een beide zijden 5 gram weg: 16 = 4 g. Dus g = 16 / 4 = 4.

Opgave 1
a

Op de rechter schaal.

b

Je haalt links en rechts 5 gram weg.

c

Je haalt links en rechts 2 g gram weg.

d

Omdat 4 blikjes samen 16 gram wegen.

Opgave 2
6 g + 2 = g + 12
beide zijden 2
6 g = g + 10
beide zijden g
5 g = 10
beide zijden / 5
g = 10 / 5 = 2
Opgave 3
a
5 g + 6 = 3 g + 9
beide zijden 6
5 g = 3 g + 3
beide zijden 3 g
2 g = 3
beide zijden / 2
g = 3 / 2 = 1,5
b
5 g + 6 = 8 g 18
beide zijden 6
5 g = 8 g 24
beide zijden 8 g
- 3 g = - 24
beide zijden / - 3
g = - 24 / - 3 = 8
c
- 2,5 g + 14 = 8 g 19
beide zijden 14
- 2,5 g = 8 g 33
beide zijden 8 g
- 10,5 g = - 33
beide zijden / - 10,5
g = - 33 / - 10,5 = 22 7
d
- 2,5 g 19 = 8 g 14
beide zijden + 19
- 2,5 g = 8 g + 5
beide zijden 8 g
- 10,5 g = 5
beide zijden / - 10,5
g = 5 / - 10,5 = - 10 21
Opgave 4
a

Omdat de onbekende x zowel links als rechts van het isgelijkteken voorkomt.

b

Je wilt alle breuken in één klap laten verdwijnen. Je vermenigvuldigt daarom met het KGV van 2, 3 en 6, de noemers van de breuken.

c

In beide gevallen komt er hetzelfde uit, namelijk 23 62 . (Je moet met breuken rekenen, anders kun je de antwoorden nooit eerlijk vergelijken.)

d

Door alle gevonden waarden voor de variabele links en rechts van het isgelijkteken te substitueren. Je moet dan twee keer dezelfde uitkomst krijgen.

Opgave 5
a
7 x 15 = 4 x 3
beide zijden + 15
7 x = 4 x + 12
beide zijden 4 x
3 x = 12
beide zijden / 3
x = 12 / 3 = 4
b
0,7 0,2 x = 1 0,6 x
beide zijden × 10
7 2 x = 10 6 x
beide zijden + 6 x
7 + 4 x = 10
beide zijden 7 x
4 x = 3
beide zijden / 4
x = 3 / 4 = 0,75
c
1 5 x + 2 = 0,3 x 3
beide zijden × 10
2 x + 20 = 3 x 30
beide zijden 20
2 x = 3 x 50
beide zijden 3 x
- x = - 50
beide zijden / 31
x = - 50 / - 1 = 50
d
1 3 x 1 = x + 4 5
beide zijden × 15
5 x 15 = 3 x + 12
beide zijden + 15
5 x = 3 x + 27
beide zijden 3 x
2 x = 27
beide zijden / 2
x = 27 / 2 = 13,5
Opgave 6
a

Doen.

b

Doen.

c

Je hoeft niet precies hetzelfde te hebben gedaan om toch een goede oplossing te hebben.

Opgave 7
a
5 ( x + 2 ) = 2 x + 15
haakjes uitwerken
5 x + 10 = 2 x 15
beide zijden 10
5 x = 2 x + 5
beide zijden 2 x
3 x = 5
beide zijden / 31
x = 5 / 3 = 5 3
b
x 3 4 = x 5 2
beide zijden × 4
x 3 = 2 ( x 5 )
haakjes uitwerken
x 3 = 2 x 10
beide zijden + 3
x = 2 x 7
beide zijden 2 x
- x = - 7
beide zijden / - 1
x = - 7 / - 1 = 7
c
2 5 x + 1 = 1 3 ( x + 5 )
beide zijden × 15
6 x + 15 = 5 ( x + 5 )
haakjes uitwerken
6 x + 15 = 5 x + 25
beide zijden 15
6 x = 5 x + 10
beide zijden 5 x
x = 10
d
1 2 3 p = 1 7 ( 2 p )
beide zijden × 21
21 14 p = 3 ( 2 p )
haakjes uitwerken
21 14 p = 6 3 p
beide zijden + 14 p
21 = 6 + 11 p
beide zijden 6 x
15 = 11 p
beide zijden / 11
p = 15 / 11 = 15 11
e
x 1 4 ( x + 3 ) + 3 4 = 0
beide zijden × 4
4 x ( x + 3 ) + 3 = 0
haakjes uitwerken en samennemen
3 x = 0
beide zijden / 3
x = 0 / 3 = 0
Opgave 8
a

Eerst haakjes uitwerken geeft 2 x + 8 = x 4 + x en dus 2 x + 8 = 2 x 4 . Als je nu aan beide zijden 2 x aftrekt, dan vind je 8 = - 4 en dat klopt niet. Deze vergelijking heeft geen oplossingen.

b

Eerst haakjes uitwerken geeft 2 x 4 = x 4 + x en dus 2 x 4 = 2 x 4 . Nu staat aan beide zijden precies hetzelfde. Welke getal je nu voor x kiest, altijd krijg je links en rechts van het isgelijkteken hetzelfde. Deze vergelijking heeft oneindig veel oplossingen: elk reëel getal is oplossing van deze vergelijking.

Opgave 9
a

Doen.

b

Eigen antwoord.

c

Dat er bij terugrekenen vanuit een kwadraat vaak twee waarden mogelijk zijn.

d

Bijvoorbeeld x = 3 + 120 geeft: 0,5 ( 3 + 120 3 ) 2 10 = 0,5 120 2 10 = 0,5 120 10 = 50 .

Opgave 10
a
5 ( x + 10 ) 2 + 50 = 70
beide zijden 50
5 ( x + 10 ) 2 = 20
beide zijden / 5
( x + 10 ) 2 = 4
terugrekenen vanuit een kwadraat
x + 10 = ± 4 = ± 2
beide zijden 10
x = ± 2 10

De oplossing is daarom x = -12 en/of x = -8 .

b
10 x 2 = 3 x 2
beide zijden + x 2
10 = 4 x 2
beide zijden / 4
x 2 = 2,5
terugrekenen vanuit een kwadraat
x = ± 2,5
c

Een manier is:

10 ( x 1 ) 2 = 5
beide zijden 10
( x 1 ) 2 = -5
beide zijden -1
( x 1 ) 2 = 5
terugrekenen vanuit een kwadraat
x 1 = ± 5
beide zijden + 1
x = 1 ± 5

Dus de oplossing is x = 1 + 5 x = 1 5 .

Opgave 11
a

Je krijgt 4 x = 17 en dus x = 17 4 .

b

Haakjes uitwerken geeft 5 x 4 = 15 3 x en daaruit volgt 8 x = 19 en x = 19 8 .

c

Terugrekenen geeft x = 1500.

d

Haakjes uitwerken geeft 20 + 2 x = - x + 10 zodat 3 x = - 10 en x = - 10 3 .

e

Haakjes uitwerken geeft 7 x 3 = 11 en x = 2 .

f

Eerst links en recht met 6 vermenigvuldigen geeft 10 2 x = - 3 ( x + 6 ) , dus 10 2 x = 3 x + 18 . Hieruit volgt - 5 x = 8 en x = - 1,6 .

g

Je vindt ( x 5 ) 2 = 2 en dus x = 5 ± 2 .

h

Haakjes uitwerken geeft x 2 10 x + 25 = 5 + x 2 en dus 10 x = 20 en x = 2 .

Opgave 12
a

Haakjes uitwerken geeft 4 x = 6 x 14 en dus 7 x = 18 en x = 18 7 .

b

Haakjes uitwerken geeft 2 x 4 = 2 + 2 x en daaruit volgt - 4 = 2 . Deze vergelijking heeft geen oplossing.

c

Beide zijden met 4 vermenigvuldigen geeft 6 x 10 = 6 x 10 . Nu kun je voor x elk reëel getal invullen.

d

Terugrekenen geeft ( x 2 ) 2 = - 1 . Omdat - 1 van geen enkel getal het kwadraat kan zijn heeft deze vergelijking geen oplossingen.

e

Terugrekenen geeft ( x 2 ) 2 = 1 en dus x = 2 ± 1 . Dus de oplossing is x = 1 en/of x = 3 .

Opgave 13

Oefen jezelf met AlgebraKIT. Daarin kun je ook de antwoorden bekijken en uitleg uitklappen.

Opgave 14
a

5 2 + 12 2 = 13 2

b

Omdat het twee opeenvolgende gehele getallen moeten zijn. De éne is onbekend, bijvoorbeeld x en de andere moet dan precies 1 meer zijn. De zijde met lengte x + 1 is de hypothenusa, want de langste zijde.

c

x 2 + 5 2 = ( x + 1 ) 2

d

Haakjes uitwerken geeft x 2 + 25 = x 2 + 2 x + 1 en dus 2 x + 1 = 25 . Inderdaad is daarvan x = 12 de enige oplossing.

Opgave 15Hekkenprobleem
Hekkenprobleem
a

Eigen antwoord.

b

Het middelste hek heeft dan lengte 4 x. En het kleinste hek is 2,5 x.

c

Deze twee hekken zijn samen 3 m, dus 4 x + 2,5 x = 3.

d

4 x + 2,5 x = 3 geeft 6,5 2 x = 3. Daaruit vind je x = 1,75 m.
De hekken zijn 1,75 m, 2,25 m en 0,75 m. (Het middelste hek moet uiteindelijk het grootst zijn.)

Opgave 16Leeftijdenprobleem
Leeftijdenprobleem
a

Myrthe is 91 x.

b

Myrthe is 91 x. Toen Joop 91 x was, was Myrthe 26 jaar.
Hun leeftijdsverschil is niet veranderd: x ( 91 x ) = 91 x 26.

a

Je vindt door haakjes uitwerken x = 52.
Dus Joop is 52 en Myrthe is 39 jaar oud.

Opgave 17Gebroken mast
Gebroken mast
a

Stel bijvoorbeeld A B = x.

b

Als A B = x dan is B P = B T = 10 x.
Even Pythagoras opgraven: 3 2 + x 2 = ( 10 x ) 2 .
Dit geeft 100 20 x = 9 en dus x = 91 / 20 = 4,55. Punt B zit 4,55 m boven de grond.

c

De vergelijking bij b geeft 100 20 x = 9 en dus x = 91 / 20 = 4,55. Punt B zit 4,55 m boven de grond.

verder | terug