Tabellen en grafieken > Procenten
123456Procenten

Voorbeeld 3

De tabel "consumentenprijsindex (CPI); alle huishoudens" , geeft de gemiddelde prijsverandering weer van goederen en diensten die huishoudens aanschaffen. De CPI is een voorbeeld van het werken met procenten en indexcijfers. Het jaar 2006 is het indexjaar. De totale prijs van de artikelen en diensten waarvan het CBS de prijsontwikkeling volgt, wordt aan het begin van het jaar 2006 op gesteld, dus % genoemd. Vervolgens wordt berekend hoeveel die totale prijs aan het begin van een ander jaar is en uitgerekend met hoeveel procent hij is gestegen of gedaald ten opzichte van de prijs in 2006. Dat is het indexcijfer voor dat jaar.
Voor 2013 is het indexcijfer . De prijzen zijn dus gemiddeld voor de consument met % gestegen ten opzichte van die in 2006.

De prijsstijging begin 2014 ten opzichte van begin 2013 reken je zo uit:
De toename is .

index

112,8

1,6

procent

100

?

Dat is %.
De prijsstijging ten opzichte van januari 2013 is daarom %. In de tabel heet dit de "jaarmutatie" .
Hoeveel is de prijsstijging van begin 2011 ten opzichte van begin 2009?

> antwoord

index

104,1

2,8

procent

100

?

De toename begin 2011 ten opzichte van begin 2009 is .
En dat is: %.

Opgave 10

Bekijk de tabel van de consumentenprijsindex in het Voorbeeld 3.

a

Welk jaar is het indexjaar en wat betekent dat?

b

Hoeveel bedraagt het indexcijfer voor 2010?

c

Met hoeveel procent zijn de prijzen dus gestegen ten opzichte van 2006?

d

Met hoeveel procent zijn de prijzen in 2010 gestegen ten opzichte van 2009?

e

Met hoeveel procent zijn de prijzen in 2010 gestegen ten opzichte van 2008? Geef je antwoord in één decimaal nauwkeurig.

Opgave 11

Stel dat in 2015 de jaarmutatie van de consumentenprijsindex bedroeg.

a

Welk indexcijfer krijgt 2014 dan? Geef je antwoord in één decimaal nauwkeurig.

b

Met hoeveel procent zijn de prijzen in 2013 gestegen ten opzichte van het indexjaar 2006?

verder | terug