Tabellen en grafieken > Combineren/vergelijken
123456Combineren/vergelijken

Antwoorden van de opgaven

Opgave V1
a

In het break-evenpoint is de opbrengst gelijk aan de kosten. Dat is de betekenis van de Engelse term "to break even" .

b

Dat is de grafiek van opbrengst min kosten. Maak zelf een tabel van die verschillen. In de Uitleg zie je die grafiek.

c

Het break-evenpoint is het snijpunt van de grafiek met de horizontale as.

Opgave 1
a

De winstgrafiek wordt bepaald door opbrengst kosten te berekenen.

aantal () 0 4 8 12 16 20 24 28 32 36 40
opbrengst (k€) 0 50 100 150 200 250 300 350 400 450 500
kosten (k€) 120 148 176 204 232 260 288 316 344 372 400
opbrengst - kosten
b

Ja, het snijpunt ligt bij .

Opgave 2
a

Verschiltabel:

b

Bij het punt . Dit betekent dat beide renners na minuten een even grote afstand hebben gelopen.

Opgave 3
a

In de linker grafiek lees je af dat de wandelaar na minuten op meter lopen zit. In de rechter grafiek lees je af dat de temperatuur op meter ongeveer  °C is.

b

In de linker grafiek lees je af dat de wandelaar na minuten op meter lopen zit. In de rechter grafiek lees je af dat de temperatuur op meter ongeveer  °C is.

c

Na minuten ben je op meter. Als je op dezelfde hoogte bent, heb je dezelfde temperatuur. Dat is na ongeveer minuten en na ongeveer minuten.

d

Het warmste na minuten: op meter hoogte is het ongeveer  °C. Het koudste op m: ongeveer  °C. Het temperatuurverschil is ongeveer  °C.

Opgave 4
a

De schalen waarop je hun waarden afleest, zijn verschillend.

b

In 2003 lees je een waarde af tussen de 18,25 en 18,45.
Als berekening krijg je bijvoorbeeld:
k€ of k€.

De totale jaaromzet in 2003 is dus ongeveer miljoen.

c

In 2006 lees je een waarde af tussen de 17,5 en 17,75.
Als berekening krijg je bijvoorbeeld:
k€ of k€.

De totale jaaromzet in 2006 is dus ongeveer miljoen, maar is iets hoger dan in 2003.

d

Nee, ook met minder werknemers kun je soms meer produceren (automatisering) en de winst kan toenemen door de kosten (lonen bijvoorbeeld) te beperken.

Opgave 5
a

Dat er op dat moment evenveel naar NL toekwamen als uit NL vertrokken.

b

Dat er op dat moment evenveel Turken als Marokkanen NL binnenkwamen.

c

Turken tussen 1982 en 1985.

d

Niet zonder meer, want hoe zit het met kinderen die in NL worden geboren en Turkse ouders hebben? Welke nationaliteit krijgen die?

e

Mogelijke antwoorden: grote werkeloosheid onder deze groepen, strenger immigratiebeleid vanuit NL, verbetering perspectief in thuisland.

f

Zie de figuur.

g

Sterkste daling in 1980.

Opgave 6
a

Beide renners rijden dan naast elkaar.

b

Twee periodes:

  • De eerste minuten

  • Na ongeveer minuten tot minuten

c

Beide renners fietsen even snel als de helling van de punten op de grafieken op hetzelfde moment even groot is. Met andere woorden: wanneer twee punten die boven elkaar liggen dezelfde helling hebben. Dus rond de en minuten.

Opgave 7
a

Er zijn exemplaren verkocht en de winst is ongeveer €.

b

De winst is negatief tot , dus tot exemplaren.

c
(maanden)
(aantal x 1000)
(k€)

Jouw gevonden waarden kunnen iets afwijken van de waarden in de tabel.

Opgave 8
a

Het is weinig zinvol om de percentages bij elkaar op te tellen omdat het om relatieve gegevens gaat. In dit geval kom je dan bijna altijd boven de % uit. Dit is geen goede reflectie van de werkelijkheid.

b

Als je de arbeidsparticipatie van zowel mannen als vrouwen in beeld wilt brengen dan begin je met het bij elkaar optellen van de gegevens. Beide grafieken geven het percentage mannen/vrouwen dat actief is op de arbeidsmarkt. Bij elkaar opgeteld is dit dus een afspiegeling op % in plaats van %. Om een reëel beeld te geven moet je het gevonden percentage door twee delen.

In 2006 was % van de vrouwen en iets meer dan % van de mannen actief op de arbeidsmarkt. Bij elkaar opgeteld is dit %: %.

c

Maak eerst een tabel.

d

De verschilgrafiek geeft het verschil in percentages tussen werkende mannen en vrouwen tussen 15 en 27 jaar die geen onderwijs volgen. Hoe dichter dit percentage naar nul gaat, des te gelijker is de arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen verdeeld. Bij een hoger percentage werken er meer mannen dan vrouwen.

Opgave 9
a

Dit snijpunt heeft geen betekenis, want het aantal trekdieren en het aantal tractoren hebben verschillende schaalverdelingen.

b

Dit moet tussen 1950 en 1960 zijn, want pas daar komt het aantal trekdieren onder de miljoen. Een tabelletje geeft duidelijkheid: in 1952 lijken beide ongeveer rond de miljoen uit te komen.

Opgave 10

Je maakt een tabel van het gemiddelde gewicht per leeftijd. Hierbij lees je eerst de gemiddelde lengte bij een leeftijd af, vervolgens lees je het gewicht af dat hoort bij deze lengte. Rond af op gehele cm en gehele kg. De grafiek vind je bij de volgende opgave.

leeftijd 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
lengte 98 105 112 119 126 131 136 143 147 156 161 164 165
gewicht 16 17 19 22 25 28 30 33 37 44 49 54 55
Opgave 11

Je maakt een tabel van het gemiddelde gewicht per leeftijd. Hierbij lees je eerst de gemiddelde lengte bij een leeftijd af, vervolgens lees je het gewicht af dat hoort bij deze lengte. Rond af op gehele cm en gehele kg.

leeftijd 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
lengte 98 106 113 120 126 132 138 143 148 152 157 166 174
gewicht 16 18 20 22 25 28 30 33 36 40 44 54 60

In deze grafiek worden de jongens en de meisjes vergeleken. Je zou ook een verschilgrafiek kunnen maken.

Conclusies voor gemiddelde meisjes en jongens:

  • tot en met het tiende levensjaar is er weinig verschil in gewicht,

  • vanaf het elfde tot het veertiende levensjaar zijn meisjes wat zwaarder;

  • vanaf het veertiende levensjaar worden jongens langer en zwaarder.

Opgave 12
a

Zie figuur.

b

Frits was het eerst bij de finish en had een voorsprong van minuten.

c

Ja, op de snijpunten zijn Klaas en Frits op hetzelfde moment op dezelfde plaats.

d

Na drie uur lag Klaas voor, maar helemaal zeker weet je dit niet, omdat alleen gemiddelde snelheden zijn gegeven.

e

km/h.

Opgave 13
a

Bevolkingsgroei = geboorteoverschot + migratiesaldo

b

1972 en 1983.

c

Het migratiesaldo is in die jaren gelijk aan .

d

Van 1950 tot 1970 is het geboorteoverschot vrijwel constant. De grafieken van het migratiesaldo en de bevolkingsgroei hebben in die periode dezelfde vorm.

Opgave 14

Maak eerst een tabel.

verder | terug