Formules > Formules gebruiken
123456Formules gebruiken

Verwerken

Opgave 10

Schrijf indien mogelijk de formules als optelling van twee breuken en vereenvoudig die breuken zo ver mogelijk.

a

`(x+12)/3`

b

`x/(x+7)`

c

`(x+5)/(x+6)`

d

`(15x+3)/x`

Opgave 11

Teken met de grafische rekenmachine een grafiek bij elke formule die een verband beschrijft tussen twee variabelen.

a

inhoud kubus `= r^3`

b

`s=400 -5 t^2`

c

`a^2+b^2=c^2`

d

`2x+5=text(-)x+7`

Opgave 12

Schrijf de formules zo, dat `y` een functie is van `x` .

a

`2 x+4 y=10`

b

`2x-3y+6 =0`

c

`8x=0,5y`

d

`2x=0,5y`

Opgave 13

Schrijf zonder haakjes.

a

`text(-)2x(x^2+6x)`

b

`text(-)2x-(x^2+6x)`

c

`(t+20 )(t-5 )`

d

`(x+2 )(x-1 )`

e

`(a-3 )(a+3 )`

f

`(6 x-3 ) ^2`

Opgave 14

Een boer heeft een rechthoekig stuk land. De omtrek daarvan is `300` m.

a

Wat is de lengte van het stuk land als de breedte `50` m is?

b

Geef een formule waarbij je de lengte `l` van het stuk land uitdrukt in de breedte `b` .

c

Teken de grafiek van de bij b gevonden formule met de grafische rekenmachine.

Opgave 15

Voor de inhoud van een cilindervormig blikje geldt: `V=π*r^2*h` . Hierin is `V` de inhoud (het volume), `r` de straal in centimeter en `h` de hoogte in centimeter.

a

In welke eenheid moet `V` worden uitgedrukt?

b

Hoeveel bedraagt de inhoud van een blikje met een diameter van `80` mm en een hoogte van `16` cm? Rond af op een geheel getal.

c

Welke formule geeft het verband tussen `V` en `r` voor blikjes met een hoogte van `16` cm?

d

Plot de grafiek van de formule die je bij c hebt gevonden.

e

Van andere blikjes ligt de inhoud vast: `V=0,75` L. Welk verband is er nu tussen `r` en `h` ?

Opgave 16

Een ondernemer verkoopt een bepaald artikel. Er bestaat een verband tussen de hoeveelheid `q` die per maand van dit artikel wordt verkocht en de prijs `p` (in euro per verkochte eenheid). Dit verband wordt beschreven door de formule: `q=4000 -20 p` .

a

Hoeveel eenheden van dit artikel verkoopt hij in een bepaalde maand als hij € 50,00 per eenheid rekent?

b

De ondernemer koopt dit artikel in voor € 30,00 per eenheid. Wil hij geen verlies lijden, dan is dit zijn laagste verkoopprijs. Hoeveel artikelen moet hij minimaal verkopen, wil hij geen verlies lijden?

c

Negatieve waarden voor `q` zijn onmogelijk. Tot hoever zou de verkoopprijs dus kunnen oplopen?

d

De opbrengst per maand bereken je door de prijs `p` per stuk te vermenigvuldigen met de verkochte hoeveelheid per maand.
Laat zien dat `R=4000 p-20 p^2` .

e

Maak een tabel voor de opbrengst waarbij `p=30, 40, 50, 60, ... 200` . Gebruik de grafische rekenmachine.

f

Bij welke prijs heeft deze ondernemer de grootste maandelijkse opbrengst?

verder | terug