Werken met data > Diagrammen
12345Diagrammen

Antwoorden van de opgaven

Opgave V1
a

Het aantal doden per maand door een verwonding, het aantal doden door slechte omstandigheden, het aantal doden door andere oorzaken dan verwonding en slechte omstandigheden en de datum.

b

Een nadeel is dat aantallen doden lastig af te lezen zijn.

c

Een staafdiagram voor elk van de drie statistische variabelen afzonderlijk. Op de horizontale as komen dan maand en jaar, op de verticale as de aantallen doden.

d

Zo kun je beter zien wat de verhoudingen zijn tussen de drie manieren van sterfte onder de soldaten.

e

Er sterven meer soldaten door slechte omstandigheden dan door verwondingen.

Opgave V2
a

Het aantal vluchten, het aantal passagiers en de verschillende luchthavens.

b

Je ziet het aantal vluchten vanaf verschillende luchthavens en passagiers uitgebeeld en je krijgt zo een beter beeld van de verschillen.

c

In beide staafdiagrammen op de horizontale as de vijf verschillende luchthavens en verticaal bij het eerste diagram het aantal vluchten en bij het tweede diagram het aantal passagiers.

d

De verkeersdrukte en het aantal passagiers van vijf verschillende West-Europese luchthavens wordt vergeleken; Schiphol wilde daarmee zeggen dat de luchthaven uitgebreid zou moeten worden om niet achterop te raken. En ook dat Schiphol een betere kandidaat voor uitbreiding zou zijn dan Rotterdam (Zevenhuizen).

Opgave 1
a

Het oppervlaktegebruik van Zuid-Holland en Nederland. Deze variabele is kwalitatief, de getallen zijn frequenties.

b

.
De relatieve frequentie is ongeveer % en de sectorhoek is ongeveer .

c

Doordat de cirkelsector "bossen" bij Zuid-Holland duidelijk kleiner is dan bij Nederland als geheel.

d

Het cirkeldiagram van Zuid-Holland had veel kleiner getekend moeten zijn dan dat van heel Nederland.

e

De figuur laat de absolute verschillen tussen Zuid-Holland en Nederland beter zien.

Opgave 2
a

Het zijn lijndiagrammen.

b

Over de jaren 1960 t/m 2005 kan de groei van de Nederlandse bevolking afgelezen worden: in totaal, door natuurlijke aanwas en door migratie.

c

d

Het inwoneraantal van Nederland neemt toe, maar de groei gaat steeds minder snel.

Opgave 3
a

De middens van de bovenkanten van de staafjes met rechte lijnstukken verbinden (de staafjes kunnen dan weg).

b

Je moet eerst de frequentie omrekenen naar de hoekgrootte (% is °) en dan de cirkel verdelen in partjes met de juiste hoek.

c

Nee, want er zijn te veel categorieën.

Opgave 4
a

Aantallen Kamerzetels, want het totaal is .

b

Geen.

c

Bijvoorbeeld: Je kunt niet zien hoeveel winst of verlies een partij heeft gemaakt ten opzichte van de vorige Tweede Kamerverkiezingen.

d

Je ziet niet alleen de zetelverdeling van de uitslag, maar ook hoe de partijen in de zaal van de Tweede Kamer (die de vorm heeft van een halve cirkel) komen te zitten.

Opgave 5
a

Om in één oogopslag te kunnen zien of er duidelijke verschillen zijn tussen zuigelingensterfte in de verschillende provincies.

b

Je kunt geen exacte getallen aflezen en je ziet de verschillen niet tussen plaatsen en regio's. Er kan bijvoorbeeld een groot verschil zijn tussen een stad en een dorp.

c

Het is moeilijk, want je kunt geen exacte gegevens uit het kaartdiagram afleiden. Een nadeel is dat je de geografische spreiding niet meer zo duidelijk kunt zien.

Opgave 6
a

Absolute kwantitatieve variabelen:

geboorteoverschot
buitenlands migratiesaldo
binnenlands migratiesaldo
toe-/afname bevolking

b

Een staafdiagram en een lijndiagram.

c

Het groene/paarse deel geeft een verklaring voor het verloop van de rode lijngrafiek.

d

Het gaat in de grafiek om toe- en afname van de bevolking in Amsterdam. Hoeveel inwoners Amsterdam heeft kun je niet zien. Als de rode lijn boven de nullijn ligt, dan wil dat zeggen dat het aantal inwoners toeneemt.

Opgave 7
a

Je ziet de variabelen: land, en (metaal)kleur.

b

Kwalitatief.

c

Het aantal behaalde medailles van elke "kleur" .

d

Omdat de frequenties van twee variabelen tegelijk worden weergegeven: land en medaillekleur.

e

De Verenigde Staten ( stuks).

f

Rusland ( stuks).

g

Bij een gestapeld diagram had je direct kunnen zien welk land de meeste medailles in totaal heeft; de verdeling voor de verschillende kleuren onderling tussen de landen valt een beetje weg (op de onderste kleur na).

Opgave 8
a

Je hebt de aantallen nodig uit de onderste rij die horen bij de verschillende kniehoogtes van t/m  cm.

b

Alle absolute frequenties moeten eerst omgerekend worden naar relatieve frequenties (bijvoorbeeld in procenten) en dat betekent dat de getallen in de onderste rij omgerekend moeten worden, dus wordt dan 0,4%.

c

Er zal geen verschil in vorm en verloop zijn. De waarden op de verticale as zijn bij b in procenten.

Opgave 9
a

Kwantitatief: winning van aardgas, winning van aardolie, winning van elektriciteit, winning van overige energie, invoer van aardgas, invoer van aardolie, invoer van elektriciteit, invoer van steenkool, verbruik van aardolie, verbruik van aardgas, verbruik van steenkool, verbruik van elektriciteit, verbruik van overige energie, uitvoer van aardgas, uitvoer van elektriciteit, ...

b

De invoer, winning, uitvoer en het verbruik van energie in Nederland.

c

Een staafdiagram van de invoer, de winning, de uitvoer en het verbruik van energie.

d

Bijvoorbeeld:

1. We winnen meer aardgas dan we verbruiken.

2. We verbruiken meer aardolie dan we winnen.

3. Nederland is een doorvoerland van aardolieproducten, steenkool en ruwe aardolie.

Opgave 10
a

Kwantitatief: levensverwachting, inkomen per persoon en inwoneraantal.

Kwalitatief: regio en land.

b

Het inwoneraantal van het land ( "population, total" ).

Opgave 11
a

Maak eerst een tabel met relatieve frequenties of gebruik je eigen bestand uit het voorgaande onderdeel.

b

Het is behoorlijk symmetrisch met de hoogste waarde ongeveer in het midden.

c

Tel de percentages die horen bij lengtes vanaf t/m bij elkaar op.

Je vindt (gebruik Excel!): %.

d

Tel de percentages die horen bij lengtes vanaf t/m bij elkaar op.

Je vindt (gebruik Excel!): %.

Opgave 12
a

Maak eerst een tabel met relatieve frequenties of gebruik je eigen bestand uit het voorgaande onderdeel.

b

Nee, er zijn nogal wat vrouwen aan de zware kant. Zeker als je de vuistregel gewicht in kg is lengte in cm min hanteert.

c

Tel de percentages die horen bij gewichten vanaf t/m bij elkaar op.

Je vindt (gebruik Excel!): %.

Opgave 13
a

Lijndiagram en staafdiagram.

b

Populatie: werkenden in Vlaanderen.

Variabelen: aantal ongevallen en het aantal ernstige ongevallen.

c

ongevallen, waarvan ernstig.
Dat is %.

d

Je kunt denken dat het staafdiagram het aantal ongevallen betreft. Het staafdiagram gaat echter over het aantal ernstige ongevallen. Ook lijkt het in eerste instantie alsof er meer ernstige ongevallen zijn dan het totaal aantal ongevallen. Dit komt doordat er een verschillende schaalverdelingen zijn.

e

Een verband tussen het aantal ongevallen en het aantal ernstige ongevallen in Vlaanderen.

f

Voordeel: je kunt het percentage ernstige ongevallen van het totale aantal ongevallen bepalen zoals bij vraag c.

Nadeel: het diagram kan misverstanden opleveren en is niet echt duidelijk; er staat wel erg veel informatie in.

Opgave 14
a

De dominante windrichting, de kans op windkracht ≥ 4 bft, de gemiddelde windsnelheid (kts) en de gemiddelde luchttemperatuur (°C).

b

De dominante windrichting (noordoost); de kans op een wind met windkracht ≥ 4 bft (%); de gemiddelde windsnelheid ( kts).

c

Het gaat niet om de oppervlakte van een cirkelsector, maar om hoe ver de lijn van af is. Als je de verschillende windrichtingen op een horizontale as naast elkaar zet, kun je deze afstanden gewoon verticaal uitzetten.

d

De windrichtingen komen naast elkaar op de horizontale as met verticaal de percentages.

De vorm van een kompasroos ondersteunt het gevoel voor de richting waar de wind vandaan komt; dat gevoel ontbreekt bij het lijndiagram.

verder | terug