Conclusies trekken > Verschil kwalitatieve variabelen
123456Verschil kwalitatieve variabelen

Uitleg

De leerlingen in 4 havo zijn naar een toneelvoorstelling geweest. Daarna werd hun gevraagd of ze de voorstelling boeiend vonden, hun voorstellingsbeleving.

In de linker tabel staan de resultaten uitgesplitst naar profiel.

Om goed te kunnen vergelijken bij groepen die niet even groot zijn, moeten eerst de absolute aantallen worden omgezet naar percentages. In de rechter tabel staan onder de percentages en onder de cumulatieve percentages.

De percentages onder van de EM-leerlingen en de NG-leerlingen verschillen: procentueel hebben veel meer NG-leerlingen "gaat wel" geantwoord dan dat dit bij de EM-leerlingen het geval was. En procentueel hebben veel minder NG-leerlingen "erg boeiend" geantwoord dan dat dit bij de EM-leerlingen het geval was. Toch hebben procentueel ook minder NG-leerlingen "niet-boeiend" geantwoord. Een conclusie trekken is nog niet eenvoudig.

Daarom is voor deze situatie afgesproken dat het maximale verschil van de cumulatieve percentages wordt gebruikt als maat voor het verschil tussen twee groepen. De vuistregels zijn nu:

  • Als % is het verschil "gering" .

  • Als % % is het verschil "middelmatig" .

  • Als % is het verschil "groot" .

Je vindt deze afspraken op de Formulekaart.

Opgave 5

Gebruik de gegevens uit Uitleg 3.

a

Waarom is de variabele voorstellingsbeleving een ordinale kwalitatieve variabele?

b

Vergelijk nu de cumulatieve percentages. Wat betekent het dat de cumulatieve percentages van de EM-leerlingen zowel bij "gaat wel" als bij "boeiend" lager zijn dan die van de NG-leerlingen?

c

In de kolom zie je het verschil van de cumulatieve percentages. Laat zien dat daarbij niet wordt gelet op welk cumulatieve percentage groter is.

d

Waarom is de bij de hoogste waarde van de variabele altijd ?

e

Hoe groot is het maximale verschil van de cumulatieve percentages?

f

Schrijf de conclusie op.

Opgave 6

Vergelijk de voorstellingsbeleving van de NG-leerlingen en de NT-leerlingen.

a

Bepaal bij elke waarde van deze variabele het verschil tussen de cumulatieve relatieve percentages. Neem het absolute verschil, laat dus mintekens weg.

b

Bepaal nu .

c

Als je dezelfde criteria hanteert als in het voorbeeld, is er dan een gering, middelmatig of groot verschil tussen NG- en NT-leerlingen?

verder | terug