Conclusies trekken > Verschil kwantitatieve variabelen
123456Verschil kwantitatieve variabelen

Voorbeeld 2

Om het effect van het taalonderwijs te onderzoeken is van twee even grote groepen Nederlanders en Belgen gekeken naar het aantal vreemde talen dat ze spreken. Bekijk de tabel met resultaten.

aantal gesproken
vreemde talen

0 1 2 3 4 totaal
Belgen 122 168 184 103 34 611
Nederlanders 19 156 272 146 18 611
totaal 141 324 456 249 52 1222

Welk verschil is er, statistisch gezien, tussen het aantal gesproken talen van Belgen en Nederlanders?

> antwoord

Het aantal talen is een kwantitatieve variabele. Er zijn twee bekende methodes om een vergelijking uit te voeren: boxplots vergelijken of effectgrootte berekenen en conclusies trekken. Boxplots zijn hier erg onnauwkeurig, dus effectgrootte blijft over.

De effectgrootte is:

Voor de Belgen geldt: en
Voor de Nederlanders geldt: en

Omdat de effectgrootte een positief getal moet zijn, neem je: en .

Dan geldt:

De effectgrootte is kleiner dan . Dus het verschil is volgens de vuistregels op de Formulekaart gering.

Opgave 7

Gebruik de gegevens uit Voorbeeld 2.

a

Welke gegevens uit de tabel worden niet gebruikt?

b

Bereken zelf de gemiddelden en de standaardafwijkingen. Controleer of de berekende waarden in het voorbeeld juist zijn.

c

Leg uit waarom het gebruik van een boxplot hier onnauwkeurig is.

Opgave 8

De volgende gegevens hebben betrekking op het aantal uur sport per week bij jongens en meisjes.

gemiddelde jongens uur gemiddelde meisjes uur
standaardafwijking jongens uur standaardafwijking meisjes uur
mediaan jongens uur mediaan meisjes uur
interkwartielafstand uur interkwartielafstand uur
a

Bereken met de formule de effectgrootte voor het aantal uur sport bij jongens en meisjes.

b

Welke conclusie trek je over het verschil tussen jongens en meisjes?

c

Waarom lukt het met deze gegevens niet om een statistische vergelijking met boxplots uit te voeren?

verder | terug