Conclusies trekken > Totaalbeeld
123456Totaalbeeld

Antwoorden van de opgaven

Opgave 1
a

De variabelen zijn: geslacht en voorkeurshand.
Het meetniveau van beide variabelen is nominaal, omdat ze niet geordend kunnen worden.

b

Je kunt alleen maar `varphi` gebruiken en `varphi = (5 * 30 - 2 * 29)/(sqrt((5+29)(5+2)(29+30)(2+30))) ~~ 0,14` .

Het verschil is dus gering.

c

Mannen: `183,3 +- (5,8)/(sqrt(34)) ~~ 183,3 +- 2,0`
Vrouwen: `170,8 +- (8,1)/(sqrt(32)) ~~ 170,8 +- 2,9`

`2,0` is kleiner dan `2,9` dus het interval van de mannen is het smalst.

De informatie: met `95` % zekerheid zal de gemiddelde lichaamslengte van de mannelijke respectievelijk vrouwelijke studenten in het betreffende interval liggen.

d

Als één of beide standaardafwijkingen groter worden, wordt in de formule van de effectgrootte de noemer groter.

De teller blijft gelijk, dus dit betekent dat de effectgrootte kleiner wordt.

Dus bij grotere standaardafwijkingen kan het verschil minder groot worden.

e

Met de tabel bij c: De effectgrootte is `E=(183,8 - 170,8)/(1/2*(5,8 + 8,1)) ~~ 1,9` en dus is het verschil groot.

Met figuur 1: De boxen overlappen elkaar. De mediaan van de vrouwen ligt buiten de box van de mannen (of omgekeerd: de mediaan van de mannen ligt buiten de box van de vrouwen), dus het verschil is middelmatig.

f

De boxen in figuur 1 overlappen elkaar maar voor een heel klein deel. De effectgrootte is veel groter dan de grenswaarde van `0,8` . De conclusie die het best te verdedigen is, is dat het verschil groot is.

g

Twee geschikte punten op de trendlijn aflezen, bijvoorbeeld `(160, 66)` en `(190, 79)` geeft richtingscoëfficiënt: `a = (79 - 66)/(190 - 160) = 0,4`
`y = 0,4x + b` geeft nu `b =3` , dus het antwoord is: `A = 0,4 * L + 3`

h

`95` % van de waarnemingen ligt hoogstens `2` standaardafwijkingen boven of onder de trendlijn en dit is `6` cm boven of onder de trendlijn. Je moet daarom boven en onder de trendlijn een evenwijdige lijn tekenen op deze afstand van de trendlijn en het gebied tussen de twee getekende lijnen inkleuren.

bron: voorbeeldexamenopgaven statistiek wiskunde A

Opgave 2
a

Bij elke cumulatieve frequentie ligt de polygoon van restaurant B rechts van die van restaurant A. Dit betekent dat de fooien in restaurant B hoger zijn dan in restaurant A.

b

In restaurant A ligt `90 – 80 = 10` % van de fooien tussen `6` en `8` dollar. In restaurant B ligt `35 – 20 = 15` % van de fooien tussen `6` en `8` dollar. Het antwoord: in restaurant B.

c

Het derde kwartiel van de fooien in restaurant A is (ongeveer) `5,5` . Het eerste kwartiel van de fooien in restaurant B is (ongeveer) `6,7` . Dus ruim driekwart van de fooien in restaurant B is hoger dan de `75` % laagste fooien in restaurant A.

d

Dit kan met behulp van het max `Vcp` : Het maximale verschil in cumulatieve percentages is `60` , (dit is groter dan `40` ,) dus het verschil is groot.

Het kan ook met behulp van boxplots. Maak een juiste schets van beide boxplots. De boxen overlappen niet, dus het verschil is ook hier groot.

bron: voorbeeldexamenopgaven statistiek wiskunde A

Opgave 3
a

Na de laatste eruptie weten we geen tussentijd tot de volgende eruptie.

b

Schets van een tweetoppige verdeling.

eruptieduur `E` 0 - 0,9 1 - 1,9 2 - 2,9 3 - 3,9 4 - 4,9 5 - 5,9
frequentie 1 34 32 15 92 9
c

De eruptieduur is niet normaal verdeeld (of: is geen klokvormige kromme). Je mag dus de vuistregels van de normale verdeling niet gebruiken, dus ik ben het oneens met de werkwijze.

d
e

`101` minuten

f

De tussentijd zal liggen tussen `84 – 2*4 = 76` (minuten) en `84 + 2*4 = 92` (minuten)

g

Uit de grafiek blijkt dat bij de langste eruptieduur van 5,6 minuten een tussentijd hoort van ongeveer `90` minuten. Bij een tussentijd van `110` minuten hoort een eruptieduur van `4` minuten. Het is dus niet zo dat als de tussentijd groter is ook de eruptieduur groter is.

bron: voorbeeldopgave Statistiek syllabus havo A, ontleend aan examenopgave havo A1,2 2008 - II

Opgave 4
a

De rechter puntenwolk ligt al bijna in de vorm van een lijn; hierin trek je het makkelijkste een trendlijn.

b

`y = 0,95 x + 1 `

c

Een licht stijgende lijn door `~~(1600, 1450)` en `~~(1900, 1700)` door het midden van de puntenwolk

d

Trendlijn leeftijden, dit komt omdat de punten vrij dicht bij de trendlijn liggen.

e

Effectgrootte leeftijd: `~~0,16` , dus gering verschil

Effectgrootte lengten: `~~2,00` dus erg groot verschil

naar: voorbeeldopgave Statistiek syllabus havo A

Opgave 5Statistisch onderzoek: CBS in de klas
Statistisch onderzoek: CBS in de klas
a

Eigen antwoord.

b

Eigen antwoord...

verder | terug