Periodieke functies > Radialen
1234567Radialen

Voorbeeld 1

Bij het omrekenen van graden naar radialen geldt: 180 is gelijk aan π radialen

  • 1 = 1 180 π rad

  • 90 = 90 180 · π = 1 2 π rad

En omgekeerd:

  • 1 rad komt overeen met 180 π = 57,295

  • 1 6 π rad komt overeen met 1 6 π · 180 π = 30

Maak hierbij een verhoudingstabel:

graden 360 180 90 45 30 1
radialen 2 π π 1 2 π 1 4 π 1 6 π 1 180 π
Opgave 7

Punt A beweegt tegen de klok in over een eenheidscirkel met middelpunt M. α is de draaihoek van M A in graden en x is de lengte van de cirkelboog die bij die draaihoek hoort.

a

Hoeveel bedraagt x als α = 360 ?

b

Vul de tabel in.

α 0 30 45 60 90 120 225 270 330
x
c

Hoeveel radialen is 10 ?

d

Hoeveel graden is 10 radialen?

Opgave 8

Neem de tabel over en vul in.

graden 0 18 220 540
radialen 5 9 π 2 π
verder | terug