Kansrekening > Kansen optellen en aftrekken
12345Kansen optellen en aftrekken

Verwerken

Opgave 8

In een klas van `31` leerlingen zitten:

  • `10` jongens die vijftien jaar zijn;

  • `8` jongens die zestien jaar zijn;

  • `7` meisjes die vijftien jaar zijn;

  • `6` meisjes die zestien jaar zijn.

a

Sluiten de gebeurtenissen "meisje" en "jongen" elkaar uit?

Willekeurig kiest de docent een leerling uit deze klas.

b

Bereken de kans dat dit een meisje of een jongen is.

c

Bereken de kans dat dit een vijftienjarig meisje of een vijftienjarige jongen is.

Opgave 9

Bij een bloemenkraampje zijn nog `25` rozen en `20` tulpen te koop:

  • `10` witte tulpen

  • `5` gele tulpen

  • `5` paarse tulpen

  • `12` witte rozen

  • `13` gele rozen

De verkoper pakt, zonder te kijken, een bloem.

a

Hoe groot is de kans op een roos?

b

Hoe groot is de kans op een paarse bloem?

c

Hoe groot is de kans op géén paarse bloem?

d

Hoe groot is de kans op een gele bloem?

e

Hoe groot is de kans op een gele bloem of een tulp?

Opgave 10

Een spel kaarten bevat van elk van de vier "kleuren" alleen de kaarten 7, 8, 9, 10, boer, vrouw, heer en aas. Totaal `32` kaarten. Beantwoord de vragen zowel door tellen van gunstige mogelijkheden als door gebruik van de somregel.

a

Hoe groot is de kans dat een uit zo'n spel getrokken kaart een ruiten of een plaatje is?

b

Hoe groot is de kans dat een uit zo'n spel getrokken kaart een harten of een 9 of een 10 is?

c

Hoe groot is de kans dat een uit zo'n spel getrokken kaart een 9 of een 10 is of geen harten?

Opgave 11

Voor de ontwikkeling van kinderen zijn doosjes in de handel gebracht met plastic rondjes, vierkantjes, rechthoekjes en driehoekjes. Van elke soort zijn er grote en kleine stukjes. Van elke soort en elke grootte zijn er twee rode stukjes, twee gele en twee blauwe. In totaal zijn er dus `48` stuks.
Bereken voor een aselect gekozen stukje de kans.

a

Het stukje is geel of een vierkantje.

b

Het stukje is rood of geen vierkantje.

c

Het stukje is klein of geen vierkantje.

d

Het stukje is blauw of geel of een driehoekje.

Opgave 12

Bij een spel moet je eerst kruis of munt gooien. Gooi je kruis, dan mag je met één dobbelsteen gooien, gooi je munt, dan mag je met twee dobbelstenen gooien. Bereken de volgende kansen.

a

De kans dat je twaalf ogen gooit.

b

De kans dat je zeven ogen gooit.

c

De kans dat je zeven of twaalf ogen gooit.

d

De kans dat je meer of minder dan zeven ogen gooit.

e

De kans dat je zes ogen gooit.

Opgave 13

Van de leerlingen van een school is `52` % meisje, de rest jongen. Een op de dertien meisjes draagt een hoofddoek, een op de zestien jongens draagt een basketbalpet.

a

Hoe groot is de kans dat een aselect aangewezen leerling een basketbalpet draagt?

b

Hoe groot is de kans dat een aselect aangewezen leerling een meisje is of iets op het hoofd draagt?

c

Hoe groot is de kans dat een aselect aangewezen leerling een jongen is of niets op het hoofd draagt?

d

Wat is de complementaire gebeurtenis van die bij c?

Opgave 14

Een fabrikant van koekjes wil een nieuwe variant op de markt brengen: het kaakje. Als proef probeert hij drie smaakvarianten die hij I, II en III nummert. Hij vraagt honderd mensen om te komen proeven. In het venndiagram zie je de verdeling van hun oordeel. Het venndiagram is nog niet af.

Bereken de kans dat een proever één van de drie smaakvarianten positief beoordeelt, maar de andere twee smaakvarianten niet.

verder | terug