Statistiek > Verzamelen en ordenen
123456Verzamelen en ordenen

Uitleg

Een statistisch onderzoek levert bijvoorbeeld antwoorden, waarnemingen, kenmerken of meetresultaten. Je moet eerst overzicht krijgen over al die gegevens met sorteren en samenvatten. Dat hoort bij de beschrijvende statistiek.

Een manier om met de hand te ordenen, is turven. Je begint met het opschrijven van de mogelijke kenmerken. Naast elk kenmerk geef je met streepjes (turven) aan hoe vaak dat kenmerk voorkomt. Uiteindelijk vervang je die streepjes door het aantal, de absolute frequentie. Je krijgt een frequentietabel met een frequentieverdeling.

Daarna kan het rekenen beginnen. Deel je de frequentie door het totale aantal waarnemingen, dan vind je de relatieve frequentie (of proportie) van dat kenmerk. Met de relatieve frequentie kun je waarnemingen makkelijk vergelijken.

Sir Francis Galton heeft rond 1890 vingerafdrukken bestudeerd. Hij ontdekte dat je bij vingerafdrukken grofweg drie patronen kunt onderscheiden: de boog, de kring en de lus.
Deze indeling is vrij globaal. Voor sommige patronen moeten ook nog het aantal lijnen tussen de kern en delta geteld worden. Hierdoor is ieder mens te identificeren op grond van de vingerafdruk.

Je ziet hoe een frequentietabel van kenmerk "patroon van linker duimafdruk" ontstaat voor een groep van personen. Er is gebruikgemaakt van de verdeling in drie hoofdcategorieën van vingerafdrukken.

Bij een frequentietabel kun je een somfrequentietabel maken door bij elke frequentie de voorafgaande frequenties op te tellen. Zo maak je ook een relatieve somfrequentietabel. Somfrequenties noem je ook cumulatieve frequenties (cumuleren betekent opstapelen).

Vaak heb je met veel verschillende waarnemingen te maken met veel uiteenlopende frequenties. Je maakt dan een klassenindeling. Zorg dat je ongeveer tien klassen krijgt om mee te werken.

Stel bijvoorbeeld dat je de lengtes van een groep meisjes onderzoekt. Is het kleinste meisje m en het langste m, dan kun je klassen maken met een klassenbreedte van cm. De klassen sluiten altijd op elkaar aan. De eerste klasse is . De tweede klasse is , enzovoort.

De notatie betekent "vanaf ... tot ..." De waarden en van de eerste klasse worden de klassengrenzen genoemd. Een meisje dat precies m lang is, zit in de tweede klasse, want die klasse begint bij .

Opgave 1

Bestudeer de uitleg.
Bekijk de tabel met daarin de lengtes van twintig meisjes. Je gaat hierbij een frequentieverdeling maken met klassenindeling.

a

Waarom gebruik je hier een klassenindeling?

b

Je gaat tien klassen maken. Wat wordt dan de eerste klasse?

c

Maak de frequentietabel met een klassenindeling en reken in de frequentietabel alle absolute frequenties om via de fractie naar relatieve frequenties en absolute frequenties.

d

Welke proportie hoort bij ?

e

Maak zo’n relatieve frequentietabel voor de lengtes van alle leerlingen in je klas. Welke klassengrenzen kies je?

Opgave 2

Bekijk de klassenindeling met daarin de lengtes van twintig meisjes.

aantal proportie rel. freq.
%
%
%
%
Totaal %
a

Wat valt je op aan de klassenindelingen?

b

Welke eerste indruk wekt deze klassenindeling?

c

Leg uit waarom dergelijke klassenindelingen niet goed bruikbaar zijn.

Opgave 3

In de vorige paragraaf heb je wellicht een opzet gemaakt voor een onderzoek onder een deel van de ouders en leerlingen van de school naar hun gebruik van een smartphone.

Bedenk nu zelf iets wat je wilt onderzoeken. Maak de opzet van je onderzoek daarom zo dat je het onderzoek ook echt kunt uitvoeren.

Volg de volgende stappen:

  • Ontwerp minimaal twee heel concrete onderzoeksvragen: welke vragen wil je beantwoord zien nadat je dit onderzoek hebt uitgevoerd?

  • Ontwerp een lijst met goede vragen, zodanig dat je met de antwoorden erop je eigen onderzoeksvragen kunt beantwoorden.

  • Stel een lijst met variabelen samen waarin je de antwoorden op je vragenlijst gaat vastleggen en geef bij iedere variabele aan of het om een kwalitatieve, discreet kwantitatieve of continu kwantitatieve variabele gaat.

  • Ontwerp een aselecte en representatieve steekproef.

  • Ontwerp de manier waarop je de steekproefpersonen de vragen gaat stellen zodanig dat je de meeste kans hebt op zo veel mogelijk serieuze antwoorden.

  • Voer je onderzoek uit.

  • Geef je resultaten weer in tabellen. Bedenk bij elke tabel of een klassenindeling wel of niet handig is.

Let op! Je hoeft nog geen diagrammen te maken en/of uitspraken te doen. Bewaar je resultaten wel goed, je gaat hier in de volgende paragrafen mee verder.

verder | terug