Statistiek > Diagrammen gebruiken
123456Diagrammen gebruiken

Uitleg

Een diagram is een grafische voorstelling van gegevens. In het Engels spreek je van een "chart" of een "graph" . Het Engelse "diagram" is wat wij een graaf noemen. Handig om te weten bij het zoeken op internet.

Er zijn veel verschillende diagrammen, zoals:

  • beelddiagram of pictogram ( "pictogram" )

  • staafdiagram ( "bar graph" )

  • lijndiagram ( "line graph" )

  • cirkeldiagram ( "pie graph" of "pie chart" )

Het beelddiagram laat zien aan welke vorm van social media de leerlingen uit klas H4E hun voorkeur geven. Dat kun je ook weergeven in een staafdiagram en een cirkeldiagram. Bij een cirkeldiagram moet je alle aantallen omrekenen naar een sectorhoek. Dat doe je door de relatieve frequentie te vermenigvuldigen met °. Er zijn bijvoorbeeld leerlingen die Facebook als favoriet hebben, de proportie is en de sectorhoek is dus:

Een histogram is een bijzonder staafdiagram. In een histogram zet je kwantitatieve variabelen in een oplopende volgorde. Op de horizontale as heb je bij een histogram te maken met een schaalverdeling. Bijvoorbeeld de lengtes van de meisjes uit havo 4. Bij de kwalititatieve variabele favoriete sociale media in het staafdiagram stelt elk staafje een ander object voor. Daarom wordt er ruimte tussen de staafjes gelaten.

Bij een klassenindeling zet je de klassengrenzen links en rechts van de staaf. Gebruik je geen klassen, dan staan de waarnemingsgetallen midden onder de staven. Je zet de staven tegen elkaar met een vaste klassenbreedte. De hoogte van de staven geeft de (relatieve) frequentie (van de waarneming) aan.

Een frequentiepolygoon ontstaat door in een histogram de middens van de bovenkanten van de staven te verbinden. Zoals het histogram een bijzonder staafdiagram is, is het frequentiepolygoon een bijzonder lijndiagram.

Je kunt ook een histogram met de somfrequenties maken in plaats van met de frequenties. Verbind je de rechterbovenkanten van de staven, dan ontstaat een cumulatief frequentiepolygoon (of somfrequentiepolygoon of kleiner-gelijk-kromme).

Opgave 1

Bekijk in de uitleg de drie verschillende soorten diagrammen over het gebruik van social media in H4E.

a

Maak met het beelddiagram een frequentietabel.

b

Maak bij de frequentietabel een kolom met relatieve frequenties.

c

Maak een staafdiagram met relatieve frequenties.

d

Bereken de sectorhoeken van het cirkeldiagram.

e

Welk voordeel hebben relatieve frequenties boven absolute frequenties?

f

Doe zelf een onderzoekje naar het favoriete social media platform van je klasgenoten.

Opgave 2

Je ziet gegevens over het voorkomen van de ziekte aids uit 2000.

a

In welk werelddeel is het aantal mensen dat met hiv/aids besmet is het grootst? Hoeveel mensen in dat werelddeel betreft het?

b

In welk land in Europa is het aantal mensen dat met hiv/aids besmet is het grootst?

c

Kun je op basis van deze gegevens concluderen dat de kans dat je iemand die met hiv/aids is besmet, tegenkomt in Luxemburg het kleinst is?

d

Welke gegevens heb je nodig om de aantallen aids-diagnoses in de verschillende Europese landen te vergelijken?

e

Maak een schatting van het aantal aids-doden in 1995.

g

Op basis van deze gegevens kun je een cumulatief frequentiepolygoon tekenen waarin is aangegeven hoeveel mensen er sinds 1989 gestorven zijn aan aids. Maak zo'n cumulatief frequentiepolygoon.

Opgave 3

Bekijk het frequentiepolygoon van de lengtes van negentig meisjes uit de uitleg.

a

Welke klassenindeling is gebruikt?

b

Hoe kun je deze frequentiepolygoon omzetten naar een histogram?

c

Hoe maak je een cumulatieve frequentiepolygoon?

De gegevens van de negentig meisjes zijn terug te vinden in het bestand Lengtes van 90 meisjes.

d

Maak een frequentiepolygoon.

e

Maak een cumulatief histogram.

verder | terug