Statistiek > Gegevens samenvatten
123456Gegevens samenvatten

Testen

Opgave 21

Op een feestje zijn acht personen aanwezig. Je ziet een tabel met gegevens over de feestgangers.

naam leeftijd (in jaren) lengte (in cm) favoriete drankje gewicht (in kg) zakgeld (in € per week) vervoermiddel
Jan cola €  fiets
Leo cola €  fiets
Elske sinas €  bus
Daphne cola €  scooter
Mart cassis €  auto
Durk bier €  auto
Henk cola €  fiets
Leo cola €  brommer
a

Welke centrummaat zou je gebruiken om voor elke kolom de feestgangers te typeren?

b

Welke spreidingsmaat zou je zo mogelijk gebruiken om voor elke kolom de feestgangers te typeren?

c

Hoe zou je de doorsneefeestganger omschrijven?

Opgave 22

Een groepje voetballers test tijdens de training hoe lang zij de bal hoog kunnen houden. Je ziet hier de bijbehorende tijden (in seconden).

17; 39; 17; 21; 26; 21; 31; 17; 37; 43; 36; 17; 15; 29; 21;
31; 35; 23; 18; 17; 26; 21; 28; 23; 22; 16; 37; 33; 27

a

Teken een boxplot bij deze gegevens.

b

Bepaal de centrum- en spreidingsmaten van deze tijden, die niet al gebruikt en/of te zien zijn in de boxplot.

c

Maak een klassenindeling met de eerste klasse en bereken het gemiddelde en de standaarddeviatie bij deze klassenindeling.

d

Teken de cumulatieve relatieve frequentiepolygoon bij de klassenindeling van de vorige vraag en bepaal daarmee de mediaan bij deze klassenindeling.

Opgave 23
Honden
Katten

De EM-leerlingen van de vierde klas hebben geturfd hoeveel huisdieren ze hebben. Het resultaat staat in deze kruistabel.

a

Wat is het gemiddelde aantal honden per EM-leerling?

b

Wat is het gemiddelde aantal huisdieren per EM-leerling?

c

Wat is het gemiddelde aantal honden per hondenbezittende EM-leerling?

De leerlingen hebben per hond en kat ook de leeftijd vastgelegd. Zo blijkt de gemiddelde leeftijd van de honden jaar te zijn en die van de katten jaar.

d

Een aantal leerlingen denkt nu meteen dat de gemiddelde leeftijd van de gehele groep huisdieren daarom jaar is.

Beredeneer waarom dit NIET zo is.

e

Gedurende het jaar krijgt één van de EM-leerlingen twee huisdieren uit het asiel erbij.

Laat per mogelijke situatie zien dat zowel de mediaan van het aantal katten per leerling als de mediaan van het aantal honden per leerling toch gelijk blijft.

verder | terug