Verschillen en verbanden > Het begrip toets
123456Het begrip toets

Testen

Opgave 12

Iemand beweert dat `10` % van het niet-brildragende deel van de Nederlandse bevolking contactlenzen draagt. Maar hij raakt na een paar keer vragen aan het twijfelen, wellicht is dat percentage toch hoger. Hij besluit om zijn mening te toetsen in een representatieve steekproef van `50` personen.

a

Hoe luiden de nulhypothese en de alternatieve hypothese?

b

Als hij bij `10` of meer personen in de steekproef met contactlenzen zijn oorspronkelijke mening verwerpt, hoe groot is dan de kans dat hij dit ten onrechte doet?

c

Als hij bij `100` of meer personen met contactlenzen in een steekproef van `500` zijn oorspronkelijke mening verwerpt, hoe groot is dan de kans dat hij dit ten onrechte doet?

Opgave 13

Het vulgewicht van kilopakken suiker van merk A is volgens de fabrikant normaal verdeeld met een gemiddelde van `1002` gram en een standaardafwijking van `3` gram. In een restaurant worden `10` van die pakken suiker gekocht en de restauranthouder ontdekt dat in die `10` pakken gemiddeld maar `999` gram suiker zit.

a

Mag de restauranthouder op grond van deze steekproef zonder meer aannemen dat de fabrikant zijn vulmachine moet bijstellen?

b

Hoe groot is de kans dat de restauranthouder ten onrechte reclameert?

c

De fabrikant controleert zijn vulmachine door `100` pakken te wegen. Hij vindt een gemiddelde gewicht van `1001` gram. Omdat dit aan de lage kant is besluit hij zijn vulmachine bij te stellen. Hoe groot is de kans dat hij dit terecht doet?

verder | terug