Grafieken > Grafieken aflezen
1234567Grafieken aflezen

Verwerken

Opgave 10

Als aardewerken potten te snel afkoelen nadat ze zijn gebakken, barsten ze. Bekijk de temperatuurgrafiek van een aardewerken pot die gebakken wordt en weer langzaam afkoelt.

a

Hoe hoog is de temperatuur na een uur?

b

Hoe hoog is de temperatuur van de oven als hij wordt uitgezet?

c

De temperatuur in de oven moet minstens een uur boven de  °C blijven. Is dat gelukt?

d

Na hoeveel tijd komt de temperatuur onder de  °C?

e

Wordt de temperatuur ooit  °C? Licht je antwoord toe.

Opgave 11

Sabine ligt in het ziekenhuis. Aan het voeteneinde van haar bed hangt een grafiek.

a

Hoeveel keer per dag is de temperatuur van Sabine opgenomen?

b

De punten op de grafiek zijn verbonden door lijnstukjes. Waarom heeft het trekken van een vloeiende lijn hier geen zin?

c

Wat is de hoogste temperatuur die bij Sabine gemeten is?

d

Op welk moment is deze temperatuur gemeten?

e

Hoelang had Sabine een temperatuur boven de  °C?

Opgave 12

Je ziet een grafiek van de wisselkoers van dollar naar euro. Je kunt hieruit aflezen hoeveel dollar je moet betalen voor euro.

a

Welke grootheid staat er op de -as? En in welke eenheid wordt deze grootheid uitgedrukt?

b

Waaraan zie je dat de dollar de laatste jaren goedkoper is dan de euro?

c

Hoeveel dollar betaalde je in februari 2004 voor één euro?

d

In welke periodes kostte een euro $ 1,30 of meer?

Opgave 13

Mosselen leven in ondiep water. In de grafiek zie je het verband tussen het aantal mosselen per m2 en de diepte van het water.

a

Hoeveel mosselen leven er per m2 op 75 cm diepte?

b

Welke waterdiepte is voor mosselvissers het gunstigst?

c

Mosselvissers vissen alleen daar waar minimaal 250 mosselen per m2 leven. Op welke diepte kunnen ze vissen?

Opgave 14

Je ziet twee grafieken. De ene grafiek beschrijft het temperatuurverloop in een bepaalde week. De andere grafiek laat de ijsverkoop bij diezelfde temperatuur zien.

a

Hoeveel ijsjes zijn er op woensdag verkocht?

b

Hoeveel ijsjes zijn er op vrijdag verkocht?

c

Op een dag worden er twintig ijsjes verkocht. Op welke dag is dat?

d

Hoeveel ijsjes zijn er die week in totaal verkocht?

verder | terug