Rekenen met variabelen > Variabelen optellen en aftrekken
12345Variabelen optellen en aftrekken

Voorbeeld 1

De omtrek van de figuur wordt voorgesteld door de letter `P` . De verschillende zijden van de figuur hebben de lengte `a` of de lengte `b` , behalve de zijde die drie keer de lengte van `a` is.

Er geldt: `P = a + b + a + b + 3a + b + a + b`

Met behulp van de eigenschappen van optellen kun je dit schrijven als: `P = a + a + a + 3a + b + b + b + b`

En dus herleiden tot: `P = 6a + 4b`

`P = 6a + 4b` kun je niet korter schrijven.

Opgave 4

Bekijk de luciferfiguur. Neem aan dat alle hoeken recht zijn. Noem de lengte van de korte lucifer `k` en die van de langere lucifer boven en onder `l` . Alleen de onderste en de bovenste lucifer zijn lang.

a

Geef een zo kort mogelijke formule voor de omtrek `P` van de figuur.

b

Bereken `P` als `k = 3` cm en `l = 4` cm met behulp van je formule.

c

Geef een zo kort mogelijke formule voor de breedte `B` van de figuur.

d

Stel, de omtrek van de figuur is `26` cm. De lengte van de korte lucifer is gelijk aan `2` cm. Wat is dan de lengte van de lange lucifer?

Opgave 5

Schrijf bij de twee rechthoekige luciferfiguren zo eenvoudig mogelijke formules voor de omtrek. Noem de lengte van de korte lucifer `k` en de lengte van de lange lucifer `l` .

I

II

verder | terug