Figuren > Kijklijnen
1234567Kijklijnen

Voorbeeld 1

Met kijklijnen kun je het gebied aangeven dat je kunt zien vanuit de plaats waar je staat. Je ziet een plattegrond van een tuin. `A` en `B` kijken naar ganzen.

Hoeveel ganzen kan `A` zien?

> antwoord
  • Je tekent vanuit de plaats waar `A` staat de juiste kijklijnen.

  • Je telt het aantal ganzen tussen beide kijklijnen of je kleurt het gebied ertussen.

  • Hij of zij kan vier ganzen zien.

Opgave 2

Gebruik de figuur uit het voorbeeld. De figuur staat ook op het werkblad.

Bekijk de figuur.

a

Hoeveel ganzen kan `B` zien?

b

Hoeveel ganzen kunnen `A` en `B` allebei zien?

c

Geef door kleuren of arceren aan welk gebied beiden kunnen zien.

Opgave 3

Je ziet een plattegrond van de tuin bij het huis waar Sarah woont. Haar broer Willem-Jan staat in de kamer. De figuur staat ook op het werkblad.

a

Geef het gebied aan dat Willem-Jan vanuit de kamer van de tuin kan zien.

b

Geef ook het gebied aan dat ze beiden kunnen zien van de tuin.

verder | terug