Omtrek, oppervlakte en inhoud > Inhoudsmaten
1234567Inhoudsmaten

Voorbeeld 1

Een handige manier om de inhoud van een (niet al te groot) lichaam te bepalen is met behulp van een maatbeker. Je vult een maatbeker voor een deel met water en leest de inhoud af. Dan dompel je het lichaam in het water onder en lees je nogmaals de inhoud af. Het verschil tussen beide waardes is de inhoud van het lichaam.

Vooral als de afmetingen van een lichaam onregelmatig zijn, is dit een handige methode. Het voorwerp moet wel helemaal onder water zitten en er mag geen water over de rand weglopen!

Je werkt dan met liters (L) of milliliters (mL).

Er geldt: 1 L = 10 dL = 100 cL = 1000 mL en 1 L = 1 dm3

Opgave 7

Een voorwerp wordt ondergedompeld in een grote kubusvormige bak water die met zijn grondvlak op een horizontaal tafelblad staat. De bak heeft ribben met een lengte van `20` cm. Voordat het voorwerp erin wordt gelegd, staat het water `10` cm boven het grondvlak van de kubus. Daarna staat het water `13` cm boven het grondvlak.

Hoeveel cm³ bedraagt de inhoud van het voorwerp?

Opgave 8

In een maatbeker worden maatstreepjes gebruikt om aan te geven hoeveel vloeistof er in zit.

Waarom zitten in een cilindervormige maatbeker de maatstreepjes op gelijke afstanden van elkaar en in een kegelvormige maatbeker niet? Moeten bij een kegelvormige maatbeker de maatstreepjes dichter bij elkaar zitten als de opening wijder wordt of juist verder van elkaar?

Opgave 9

Reken om.

a

`13,5` m³ = ... dm³

b

`135` cm³ = ... dm³

c

`135` mL = ... cm³

d

`135` m³ = ... L

Opgave 10

Het heeft geregend en op het platte dak van een school staat een laag water van `6` mm. Het dak van de school heeft een oppervlakte van `600` m².

a

Hoeveel m³ water ligt er dan op het dak?

Een liter water weegt `1` kg.

b

Hoe zwaar is de hoeveelheid water in totaal?

verder | terug