Rekenen > Breuken optellen en aftrekken
1234567Breuken optellen en aftrekken

Antwoorden van de opgaven

Opgave V1
a

`7`

b

`7/48`

c

`7` is de teller en `48` is de noemer van de breuk.

Opgave V2
a

`3/4=(3xx25)/(4xx25)=75/100`

b

`0,75`

Opgave V3
a

`7/8`

b

Ton eet `1/8` meer pizza dan Hans.

Opgave 1
a

`3/4` en `9/12` .

b

`3` en `9` zijn de tellers en `4` en `12` zijn de noemers van de breuken.

c

In beide figuren is even veel gekleurd. In de ene figuur is het `3/4` deel, in de andere `9/12` deel. `9/12` kun je vereenvoudigen tot `3/4` .

Opgave 2
a

`1/4=3/12`

b

`2/3=26/39`

c

`13/19=26/38`

d

`14/42=1/3`

e

`18/81=8/36`

f

`6/14=15/35`

Opgave 3
a

Het plusteken.

b

`1=4/4` , dus `1 3/4=1+3/4=4/4+3/4=7/4` .

c

`21/12`

Opgave 4
a

`6/9=2/3`

b

`4/12=1/3`

c

`3 18/12=4 1/2`

d

`1 2/3`

Opgave 5
a

De figuur is in acht gelijke delen verdeeld.

b

`4/8+3/8=7/8`

c

`4/8-3/8=1/8`

Opgave 6
a

Bijvoorbeeld:

b

Anders zijn beide breuken geen deel van hetzelfde en kun je ze dus niet optellen.

c

Dan zie je beter hoe de verdeling van het geheel in `20` kleinere rechthoekjes tot stand komt.

d

`13/20`

e

`2/5+1/4` = `0,65`

Opgave 7
a
b

`3/7+5/8=24/56+35/56=59/56`

c

`59/56` > `56/56=1` en daarom kun je ook schrijven: `1 3/56` .

d

`1,05357ul(142857)`

e

`3/7+5/8` invoeren geeft `1,05357ul(142857)` .

f

`11/56` en `0,196ul(428571)`

Opgave 8
a

`5/11`

b

`1/8`

c

`11/10=1 1/10`

d

`35/24=1 11/24`

e

`5/24`

Opgave 9
a

Voer in: `3+1/6+1+1/4` . Je vindt als antwoord `4,4166` .

b

Na invoeren met de breukentoets vind je als antwoord `53/12` .

c

`3 2/12+1 3/12=4 5/12`

d

Nee. Je kunt beter het kleinste getal gebruiken dat zowel een veelvoud van `6` als van `4` is. En het k.g.v. van `6` en `4` is `12` .

Opgave 10
a

Voer in: `3+1/6-1-1/4` . Je vindt als antwoord `1,9166` .

b

Na invoeren met de breukentoets vind je als antwoord `23/12` .

c

`3 2/12-1 3/12=38/12-15/12=23/12=1 11/12`

Opgave 11
a

`2/5` van `30` is `12` leerlingen en `1/6` deel van `30` is `5` leerlingen. Er gaan daarom `30-17=13` leerlingen lopend.

b

Omdat beide breuken op hetzelfde geheel van `30`  leerlingen slaan.

c

`1/2` van `20` is `10` leerlingen in 1A en `2/5` van `25` is `10`  leerlingen in 1C. Samen zijn `20` van de `45` leerlingen lopend, dus `20/45=4/9` deel.

Opgave 12
a

`3/6=1/2` kwarktaart en `1/8` appeltaart.

b

`1/24`

c

`7/24`

d

Bij b en c.

Opgave 13
a

`0,25`

b

`0,40`

c

`0,875`

d

`0,9375`

e

`0,15`

f

`0,36`

Opgave 14
a

€ 3,00

b

€  2,60

c

Op die manier kun je voor dezefde prijs meerdere lotnummers kopen, waardoor je je kansen meer spreidt. Nadeel is dat de eventuele winst lager is dan met een heel lot.

Opgave 15
a

`45/28=1 17/28`

b

`34/77`

c

`22/15=1 7/15`

d

`4/9`

Opgave 16
a

`2 14/15`

b

`22/12=1 5/6`

c

`17/12=1 5/12`

d

`2 15/20=2 3/4`

Opgave 17

`1/4`

Opgave 18
a

`0,6`

b

`0,875`

c

`2,60`

d

`1,75`

Opgave 19
a

`2,925`

b

`3,5`

Opgave 20
a

`5/21`

b

Beide breuken gaan niet over hetzelfde geheel en dus kun je ze niet zonder meer optellen. Je moet eerst bekijken welk deel van het geheel ze vormen en dat kan hier alleen doordat de mannen en de vrouwen ieder de helft van het geheel zijn.

Opgave 21
a

`8/15`

b

Omdat je anders de breuken niet zinvol kunt optellen.

c

Ze hebben `15/8` uur nodig om het huis te schilderen.

d

Ze schilderen `13/21` deel van het huis in een uur. 

e

Ze hebben voor het huis `21/13` uur nodig. 

f

Ze hebben samen `105/86` uur nodig om één huis te schilderen.

Opgave 22

`35/70+148/296=1/2+1/2=1`

Opgave 23

`84` jaar

Opgave 24
a

`7 7/15`

b

`2 23/40`

Opgave 25
a

`1 3/28`

b

`2/15`

Opgave 26
a

`96` .

b

`5/24`

c

`30` .

Opgave 27
a

`0,25`

b

`0,375`

verder | terug