Rekenen > Afronden en schatten
1234567Afronden en schatten

Verwerken

Opgave 16

Rond de getallen af op één decimaal.

a

`12,36`

b

`312,139`

Opgave 17

Rond de getallen af op twee decimalen.

a

`4,5549`

b

`12,506`

Opgave 18

Bob moet voor drie personen broodjes kopen. Ieder wil vier broodjes. De broodjes zijn per vijf stuks verpakt in een zak.

a

Hoeveel zakken broodjes moet Bob kopen?

b

Een zak broodjes kost € `2,90` . Hoeveel moet Bob ongeveer betalen?

Opgave 19

Monique heeft voor haar verjaardag vier cakes gebakken. Uit elke cake snijdt ze acht plakken. Ze wil op haar verjaardag drie keer met cake rondgaan en ze neemt zelf dan ook telkens een plak cake.

a

Hoeveel vriendinnen kan ze uitnodigen?

b

Voor het bakken van een cake heeft Monique een pak bloem nodig van
€ `0,46` , een pak suiker van € `1,09` en vier eieren (een doosje van zes eieren kost € `2,85` ). Hoeveel moet ze ongeveer betalen voor de ingrediënten?

Opgave 20

Bereken. Maak eerst een schatting van het antwoord.

a

`31,5 + 2,8`

b

`31,5 - 2,8`

c

`31,5xx2,8`

d

`(31,5)/(2,8)`

Opgave 21

In winkels wordt niet langer met eurocenten gerekend. Alle bedragen worden bij de kassa afgerond op veelvouden van vijf eurocent.

a

Hoeveel wordt € `10,99` aan de kassa?

b

Hoeveel wordt € `8,86` aan de kassa?

c

Wat kun je beter doen: in één keer vier flessen cola van € `1,29` per stuk kopen of vier keer één fles?

Opgave 22

Kees heeft voor wiskunde drie proefwerken gemaakt en haalde een `6,1` , een `8,4` en een `7,6` . Daarnaast heeft hij een praktische opdracht gedaan waarvoor hij een `7,5` kreeg. Voor de twee vaardigheidstoetsen heeft Kees een `9,1` en een `6,6` gehaald. De proefwerken worden drie keer zo zwaar en de praktische opdracht wordt twee keer zo zwaar als de vaardigheidstoetsen meegeteld. Bereken het rapportcijfer van Kees op één decimaal nauwkeurig en ook afgerond op een geheel getal.

Opgave 23

Erik vindt met zijn rekenmachine `1204 /(15,6) =7717948718` .

a

Waarom zie je meteen dat in zijn antwoord de komma ontbreekt?

b

Laat met behulp van een schatting zien waar de komma hoort te staan.

c

Waarom is het voor de plaats van de komma genoeg als je de orde van grootte van het antwoord weet?

d

Waarom mag je zelfs met de komma op de juiste plek geen isgelijkteken gebruiken in deze berekening?

e

Geef het juiste antwoord afgerond op twee decimalen nauwkeurig.

verder | terug