Functies en grafieken > Het begrip functie
123456Het begrip functie

Voorbeeld 3

Gegeven zijn de functies `f(x)=10 x-0,1 x^3` en `g(x)=x+10` .
Bepaal de coördinaten van de snijpunten van de grafieken.

> antwoord

Om de coördinaten van de snijpunten te achterhalen, moet je de vergelijking `f(x)=g(x)` oplossen, dus `10x-0,1x^3=x+10` .
Je kunt dat met de grafische rekenmachine doen door beide functies in te voeren: Y1= 10X-0.1X^3 en Y2=X+10. Daarna heb je goede vensterinstellingen nodig zodat je de snijpunten goed in beeld hebt. Je kunt snel zien dat `text(-)10` een nulpunt is van `g` . Omdat je in ieder geval dat nulpunt in beeld wilt hebben, kies je voor de `x` -waarden als venster `text(-)15 le x le 15` . In de tabel op de grafische rekenmachine kun je zien dat de functiewaarden liggen tussen `text(-)50` en `50` ; daarom kies je voor de `y` -waarden als venster `text(-)50 le y le 50` . De drie snijpunten zijn dan goed in beeld.

Met de grafische rekenmachine kun je de snijpunten uitrekenen. Hoe dat gaat, zie je in het practicum basistechnieken TI83/TI84.

Opgave 8

Bereken zelf de coördinaten van de snijpunten in het voorbeeld met behulp van de grafische rekenmachine. Rond waar nodig af op twee decimalen.

Opgave 9

Los de vergelijking `x^3 - 5x + 2 = text(-)x + 1` op met behulp van de grafische rekenmachine. Rond af op twee decimalen.

verder | terug