Statistiek > Onderzoek
123456Onderzoek

Verwerken

Opgave 12

Stel je voor dat een onderzoeker voor een onderzoek naar de filedruk in Nederland naar waddeneiland Texel gaat en daar 's nachts het aantal auto’s op een van de wegen checkt. Hij noteert per voorbijrijdende auto het merk en de snelheid.

a

Leg uit waarom dit geen aselect onderzoek is.

b

Leg uit waarom dit geen representatief onderzoek is.

c

Leg uit waarom de variabele automerk een kwalitatieve variabele is.

d

Leg uit waarom de variabele aantal auto's per uur een discrete kwantitatieve variabele is.

e

Leg uit waarom de variabele snelheid een continue kwantitatieve variabele is.

Opgave 13

Voor een nieuw onderzoek bedenkt men de volgende manier om een steekproef samen te stellen: een jaar lang wordt bij elk ziekenhuis iedere maandag iedereen die in het ziekenhuis aanwezig is of er arriveert, genummerd. Het maakt niet uit of iemand verplegend personeel is, of zieke of bezoeker of schoonmaker, enzovoort. Aan het einde van de dag worden bij elk ziekenhuis uit de groep toegekende nummers vijftien personen met behulp van toevalsgetallen gekozen om mee te doen aan het onderzoek. Stel dat bij een ziekenhuis op zo'n maandag `1250` nummers zijn uitgedeeld, startend met nummer `1` . Genereer met de grafische rekenmachine een groep van vijftien nummers die die maandag worden geselecteerd voor het onderzoek.

Opgave 14

In een straat staan precies honderd woningen. Het zijn twintig blokken van vijf woningen. Aan iedere kant van de weg staan tien blokken. Je hebt een even kant met de huisnummers 2 tot en met 100, met een tuin op het zuiden. Je hebt een oneven kant met de huisnummers 1 tot en met 99, met een tuin op het noorden.

a

Een energiebedrijf wil het gasverbruik in deze straat onderzoeken. Het bedrijf neemt een steekproef van tien huizen: de huisnummers 1, 11, 21, 31, 41, 51, 61, 71, 81 en 91. Is deze steekproef aselect getrokken?

b

Het gemiddelde gasverbruik dat de onderzoeker bij de tien huizen vindt, blijkt veel hoger te zijn dan dat het gemiddelde in de straat in werkelijkheid blijkt te zijn. Hoe kan dat?

c

Bedenk een manier om aselect tien huizen uit de straat voor het onderzoek te selecteren, zodat het gemiddelde gasverbruik van de tien huizen representatief is voor de hele straat.

Opgave 15

"Belgen praten beduidend langzamer dan Nederlanders. In de Randstad haalt men 5,42 lettergrepen per seconde, in Oost-Vlaanderen slechts 4,43. Sommige mensen gingen het meteen controleren. De spreeksnelheid van 21 miljoen Nederlandssprekenden werd bepaald door maar liefst 160 leraren en leraressen een stukje te laten opzeggen. Er waren acht groepen, dus twintig sprekers per groep. Ook werd nog gerapporteerd over het verschil tussen jong en oud, man en vrouw."

bron: tijdschrift Onze Taal, 2004, Hans van Maanen

a

Wat vind je van deze opzet?

b

Wat vind je van de steekproef?

c

Wat vind je van de conclusie dat Belgen beduidend langzamer praten dan Nederlanders?

d

De journalist rangschikt dit onderzoek in de top 10 van wetenschappelijke blunders van 2004. Waarom denk je?

Opgave 16

In de jaren 1982-1988 werd onder `22000` mannelijke Amerikaanse artsen onderzoek gedaan naar de invloed van aspirine op hart- en vaatziekten op de gemiddelde Amerikaanse man. De helft gebruikte om de dag `300` milligram aspirine, wat ongeveer gelijk staat aan een "gewoon" aspirientje. De andere helft slikte een placebo ( "fopmiddel" ). Van de aspirineslikkers kregen `104` personen een hartinfarct, van de placeboslikkers waren dat er `189` . De conclusie van het onderzoek was dat het risico op een hartinfarct met ongeveer `45` % wordt verlaagd door het slikken van aspirine. Dat dit grote verschil aan toeval was te wijten, vond men uitgesloten vanwege het grote aantal mensen dat aan de studie meewerkte.

a

Waarom is hier geen sprake van een representatieve steekproef? Hoe had deze steekproef moeten worden samengesteld?

b

Waarom werd er van placebo’s gebruikgemaakt?

c

Hoeveel procent van de `11000` aspirineslikkers heeft baat gehad bij het slikken van aspirine?

d

Volgens de tekst wordt de kans op een hartinfarct met `45` % verlaagd. Klopt dat?

Opgave 17

Veel onderzoek gebeurt door mensen een vragenlijst te laten beantwoorden. Het opstellen van de juiste vragen is erg belangrijk. Op slechte vragen krijg je slechte antwoorden. Stel je bent nieuwsgierig wat de leerlingen uit je klas bij het ontbijt eten.

a

Je bedenkt als vraag: "Wat vind je lekkerder op de boterham, hagelslag of kaas?" Leg uit waarom deze vraag hier niet goed is.

b

Je bedenkt ook de vraag: "Wat is gezonder: een witte boterham of een bruine boterham?" Leg uit waarom ook deze vraag hier niet goed is.

c

Je zou ook aan elke leerling kunnen vragen: "Schrijf op wat je vanmorgen hebt gegeten als ontbijt." Wat is een nadeel van deze vraag?

d

Je zou kunnen vragen: "Geef met een kruisje aan wat je vanmorgen als ontbijt hebt gehad. Kies uit bruin brood, yoghurt met muesli en/of fruit."

Wat is er mis met deze vraag?

e

Welke vraag zou jij stellen waarop je een zinvol antwoord krijgt? Probeer uit of het een handige en goede vraag is.

Opgave 18

De "Nationale Doorsnee" was in `2000` een landelijk statistiekproject voor leerlingen uit leerjaar 1 en 2. Centrale vraag was: "Wie is de gemiddelde leerling van Nederland?" Het ging bij dit project om negen kenmerken:

  • lichaamslengte

  • ontbijtgewoonte

  • tijdsbesteding sport

  • tijdsbesteding tv

  • tijdsbesteding computer

  • leukste vak op school

  • zakgeld per week

  • bijverdienste per week

  • favoriete popster of popgroep

a

Naar welk soort variabele verwijst elk van deze kenmerken? Kwalificeer met kwalitatief, kwantitatief, discreet of continu.

b

Bedenk bij elk kenmerk een goede vraag die aansluit bij de door jou genoemde soort variabele.

c

Welk tiende kenmerk en welke tiende vraag zou je kunnen toevoegen om de gemiddelde leerling van Nederland nog verder te typeren?

Opgave 19

Maak een opzet voor een onderzoek onder een deel van de ouders en leerlingen van de school naar hun gebruik van de fiets; neem je onderzoeksplannen onder de loep en verbeter deze.

a

Ontwerp minimaal twee concrete onderzoeksvragen: wat wil je precies weten over het fietsgebruik van de leerlingen en hun ouders? Anders gezegd: welke vragen wil je beantwoord zien nadat je dit onderzoek hebt uitgevoerd?

b

Ontwerp een lijst met vragen, zodanig dat je met de antwoorden erop je eigen onderzoeksvragen kunt beantwoorden.

c

Stel een lijst met variabelen samen waarin je de antwoorden op je vragenlijst gaat vastleggen en geef bij elke variabele aan of het om een kwalitatieve, discreet kwantitatieve of continu kwantitatieve variabele gaat.

d

Ontwerp een aselecte en representatieve steekproef van leerlingen en ouders op jouw school.

e

Ontwerp de manier waarop je de steekproefpersonen de vragen gaat stellen zodanig dat je de meeste kans hebt op zo veel mogelijk serieuze antwoorden.

verder | terug