Kansrekenen > Kansen optellen/aftrekken
123456Kansen optellen/aftrekken

Verwerken

Opgave 11

Bij een bloemenkraampje zijn alleen nog rozen en tulpen te koop: `20` tulpen en `25` rozen.

Er zijn `10` witte, `5` gele en `5` paarse tulpen en er zijn `12` witte rozen en `13` gele rozen.

De verkoper heeft alle bloemen in één emmer verzameld, hij pakt zonder te kijken een bloem.

Welk(e) van de volgende gebeurtenissen sluiten elkaar uit?

tulp en roos

tulp en geel

geel en roos

paars en roos

Opgave 12

Bij een bloemenkraampje zijn alleen nog rozen en tulpen te koop: `20` tulpen en `25` rozen. Er zijn 10 witte, 5 gele en 5 paarse tulpen en er zijn 12 witte rozen en 13 gele rozen. De verkoper heeft alle bloemen in één emmer verzameld. De verkoper pakt zonder te kijken een bloem.

a

Wat is de kans dat hij een roos pakt?

b

Wat is de kans dat hij een paarse bloem pakt?

c

Wat is de kans dat hij géén paarse bloem pakt?

d

Wat is de kans dat hij een gele bloem pakt?

e

Wat is de kans dat hij een gele bloem of een tulp pakt?

Opgave 13

Van de leerlingen van een klas staat `70` % voldoende voor wiskunde, `63` % staat voldoende voor natuurkunde en `43` % staat voldoende voor beide vakken.

a

Hoeveel procent staat voldoende voor minstens een van beide vakken?

b

Hoeveel procent staat onvoldoende voor beide vakken?

c

Hoeveel procent staat voldoende voor wiskunde en onvoldoende voor natuurkunde?

d

Hoeveel procent staat voldoende voor wiskunde of onvoldoende voor natuurkunde?

Opgave 14

Voor de ontwikkeling van kinderen zijn doosjes in de handel gebracht met plastic rondjes, vierkantjes, rechthoekjes en driehoekjes. Van elke soort zijn er grote en kleine stukjes. Van elke soort en elke grootte zijn er twee rode stukjes, twee gele en twee blauwe. Totaal dus `48` stuks.
Bereken voor een aselect gekozen stukje de kans.

a

Het stukje is geel of een vierkantje.

b

Het stukje is rood of geen vierkantje.

c

Het stukje is klein of geen vierkantje.

d

Het stukje is blauw of geel of een driehoekje.

Opgave 15

Bij een spel moet je eerst kop of munt gooien. Gooi je kop, dan moet je met één dobbelsteen gooien. Gooi je munt, dan mag je met twee dobbelstenen gooien. Bereken de volgende kansen.

a

De kans dat je 12 ogen gooit.

b

De kans dat je 7 ogen gooit.

c

De kans dat je 7 of 12 ogen gooit.

d

De kans dat je meer of minder dan 7 ogen gooit.

e

De kans dat je 6 ogen gooit.

Opgave 16

Van de leerlingen van een school is `52` % meisje, `48` % jongen. Eén van elke dertien meisjes draagt een hoofddoek, één van elke zestien jongens draagt een basketbalpet.

a

Hoeveel procent van de leerlingen draagt een hoofddoek? Hoeveel procent een basketbalpet?

b

Wat is de kans dat een aselect aangewezen leerling een jongen zonder pet is?

c

Wat is de kans dat een aselect aangewezen leerling een meisje is of iets op het hoofd draagt?

d

Wat is de kans dat een aselect aangewezen leerling een jongen is of niets op het hoofd draagt?

e

Wat is de complementaire gebeurtenis van die bij d?

Opgave 17

Een fabrikant van koekjes wil een nieuwe variant op de markt brengen: het kaakje. Als proef probeert hij drie smaakvarianten die hij I, II en III nummert. Hij vraagt honderd mensen om te komen proeven.

In het venndiagram zie je de verdeling van hun oordeel. Het is nog niet af.

Bereken de kans dat een proever één van de drie smaakvarianten positief beoordeelt, maar de andere twee smaakvarianten niet.

verder | terug