Kansrekenen > Kansen optellen/aftrekken
123456Kansen optellen/aftrekken

Voorbeeld 2

Je trekt een lot uit een serie met de nummers 10, 11, 12, ..., 99.
Heb je een 2 of een 3 in het lotnummer, dan heb je een prijs.
Hoe groot is de kans hierop?

> antwoord

Eerst het cijfer 2:

  • de kans op rechts een 2 is `9/90`

  • de kans op links een 2 is `10/90`

  • de kans op 22 is `1/90`

Dus de kans op een 2 is: `9/90 + 10/90 - 1/90 = 18/90`

De kans op een 3 in het lotnummer is op dezelfde manier: `18/90`

De kans op een 2 of een 3 in het lotnummer is (denk aan 23 en 32): `18/90 + 18/90 - 2/90 = 34/90`

Opgave 6

In het voorbeeld gaat het om de trekking bij een loterij.

a

Wat is de kans dat het getrokken briefje het cijfer 0 bevat?

b

Wat is de kans dat het getrokken briefje het cijfer 0 en het cijfer 2 bevat?

c

Wat is de kans dat het getrokken briefje het cijfer 0 of het cijfer 2 bevat?

d

Bereken de kans dat het getrokken briefje geen 0 en ook geen 2 bevat.

Maak gebruik van de complementregel.

Opgave 7

Je gooit met twee gewone dobbelstenen, één rode en één blauwe. `R` is het aantal ogen op de rode dobbelsteen, `B` dat op de blauwe.

a

Maak een overzicht van alle mogelijkheden.

b

Hoe groot is `text(P)(R = 5)` ?

c

Hoe groot is `text(P)(B = 4)` ?

d

Hoe groot is `text(P)(R = 5 text( en ) B = 4)` ?

e

Sluiten de gebeurtenissen `R = 5` en `B = 4` elkaar wederzijds uit?

f

Hoe groot is `text(P)(R = 5 text( of ) B = 4)` ?

verder | terug