Kansen en tellen > Experimenteren
123456Experimenteren

Theorie

Bij een kansexperiment staat het resultaat niet bij voorbaat vast. Een voorbeeld hiervan is het gooien met één dobbelsteen.
De mogelijke uitkomsten zijn alle mogelijke resultaten van het kansexperiment. In dit geval het gooien van `1` , `2` , `3` , `4` , `5` of `6` ogen.
Een uitkomst of gebeurtenis is een (soms vooraf gedefinieerd) resultaat, bijvoorbeeld "het werpen van `5` ogen" of "het werpen van eerst `4` ogen en daarna `6`  ogen" .

De relatieve frequentie van een gebeurtenis is:

`text(het aantal keren dat die gebeurtenis voorkomt)/text(het aantal herhalingen van het kansexperiment)`

De experimentele wet van de grote aantallen is een ervaringsregel: In de praktijk blijkt dat de relatieve frequentie bij een groot aantal keren uitvoeren van een kansexperiment naar één waarde lijkt te gaan.
Deze waarde noem je de experimentele kans op die gebeurtenis.

Relatieve frequenties zijn ook te bepalen uit statistieken.

Verder kunnen relatieve frequenties worden bepaald door simuleren: nabootsen met bijvoorbeeld een grafische rekenmachine. Redenen om dit te doen, kunnen zijn: Sneller kunnen werken of het vermijden van gevaarlijke experimenten (bijvoorbeeld overstroming of falen van een vliegtuig).

Simuleren van kansexperimenten doe je door de kans op een gebeurtenis in de rekenmachine gelijk te maken aan de kans op die gebeurtenis in werkelijkheid.

verder | terug